Ulrichen
|
Ulrichen
Dag 9
Innertkirchen - Ulrichen
Afstand 47,2 kilometer
Rijtijd 4:12
Gemiddelde snelheid 11,2 km/u
Maximum snelheid 65 km/u
Hoogteverschil 1570 meter
 
Kwart voor acht zou de wekker gaan, maar we zijn door de hete zon die op de tent staat te bakken, al eerder wakker. We hebben weinig puf om weer in te pakken, maar met een zware dag voor de boeg, zijn we blij dat we al iets voor half tien klaar zijn en kunnen vertrekken. Het is nu al warm en het belooft een hete dag te worden. In het buurtwinkeltje in Innert-kirchen doen we nog een paar inkopen en nemen daarna de afslag naar de Grimselpas. De doorgaande weg in het dorp is compleet vol met toeristen en motoren die vanaf hier ofwel de Sustenpas overgaan, ofwel de Grimselpas. Na de afslag gaat het direct omhoog. Al gauw zweten we ons het lazarus en we proberen zoveel mogelijk hoogte te winnen om de warmste uren in de koelte te fietsen. Het eerste stuk van veertien kilometer is redelijk eenvoudig en we krijgen af en toe zelfs een stukje afdaling. Na een paar kleine tunneltjes - de reflectiehesjes komen weer goed van pas - wordt het parcour  wat steiler en krijgen we een paar serieuze haarspeldbochten. We hebben de smaak goed te pakken en stoppen een enkele keer op wat water te drinken en een banaantje te eten. In een volgende haarspeldbocht gaat het met11% omhoog. Vanwege het vele verkeer probeer ik zo rechts mogelijk te rijden. De beklimming zorgt er echter voor dat ik zo langzaam ga, dat ik begin te slingeren en plots slaat mijn stuur om naar rechts. Erg blij ben ik dat daar een vangrail is aangelegd waar ik nu zachtjes tegenaan val. We komen bij een tunnel die verboden is voor fietsers. De route leidt ons om via de oude bergweg. Inmiddels zijn al achttien kilometers overbrugd en op  een klein stukje gras in de schaduw, kunnen we even op adem komen en wat eten. We genieten hier van het uitzicht. Ver beneden is de weg te zien die we al hebben gehad en van tijd tot tijd zie je kleine stipjes rijden: fietsers. Het is een mooi gezicht om langs de kant te zitten en hen boven horen komen. Hevig zwetend, puffend, zwoegend. Je hoeft als fietsers niets tegen elkaar te zeggen: een klein knikje of een glimlach is genoeg. Het valt ons wel op dat, hoewel al die andere fanatiekelingen op een racefiets zijn, wij met onze zware toerfietsen plus bagage, niet veel voor hen onderdoen. Meestal halen  ze ons in, maar van tijd tot tijd kom je dezelfde mensen weer tegen, met allen één doel: het bereiken van de top. We vervolgen onze weg. De klim duurt vierentwintig kilometer volgens de bordjes, maar het einde lijkt nooit te komen. Na de bergweg, waarlangs een diepe kloof ligt met een hevig schuimende rivier, komen we weer terug op de hoofdweg. We krijgen weer een fiks aantal haarspeldbochten en komen bij een stuwmeertje. Even op adem komen; vanaf hier lijkt de weg vlak verder te lopen. Pap had ons gister hier al voor gewaarschuwd: dit is niet de top! Vanwege de koude wind trekken we onze regenjassen aan en fietsen vrolijk verder, ondertussen begint het ook te regenen. En ja hoor, na een kilometer of iets meer doemen er weer haarspeldbochten op. Alsof ze een blik opentrekken. Beide handen draaien de handvaten terug naar beneden en klik  klik klik, in versnelling 26:28 - kleiner is er helaas niet - klimmen we weer verder. Na vijfentwintig kilometer en vele hoogtemeters verder zien we vlaggen en hotel Grimsel. We zijn er! Daan en ik gooien het gas erop en racen ernaartoe. Als we bij de vlaggen aankomen, blijkt ook dit de top niet te zijn. Voor ons verrijst nóg een wand met zo'n acht haarspeldbochten. We zuchten, maar fietsen gestaag verder. Iets na tweeën bereiken we eindelijk de top. Het is er erg koud. In het bergmeertje drijven nog wat ijsschotsen en ook ligt er op sommige plekken sneeuw. Na een foto en het stickerplakken ritueel, beginnen we aan de afdaling. We worden getrakteerd op een schitterend uitzicht over het af te dalen traject en de Furkapas even verderop, met daarnaast de Rhônegletsjer. We zoeven met een behoorlijk vaartje door: de afdaling bestaat uit zo'n vijftien haarspeldbochten met tussenin lange rechte, maar vooral steile stukken asfalt. 
 
Niet lang daarna zijn we in het Rhônedal, zo'n achthonderd meter lager. Vanaf hier is de weg vals plat naar beneden. De wind waait een beetje van opzij en in de rug en een beetje meetrappend, racen we met dertig, veertig km/u naar Ulrichen: het dorpje aan de ingang van de Nufenenpas. Na wat strubbelen om de camping te vinden, zijn we ingecheckt. We zetten zo snel mogelijk de tent op om met de trein naar Reckingen, vijftien kilometer verderop, te gaan, waar pa en ma op de camping staan. Terwijl ik met de haringen aan het klooien ben, de grond is weer eens zo hard als rots, springt er een hond tegen me aan. Het is Joop! Pa en ma staan tien meter verderop achter een boom. Het is maf om elkaar op deze manier te treffen, maar we zijn zeer blij om elkaar weer te zien. We pakken de laatste spullen gauw uit, binden de fietsen vast aan een paaltje en nemen met z'n vieren de trein naar Reckingen, ondertussen even lekker bijkletsend. De camping in Reckingen is zeer mooi gelegen en luxe ingericht. De sfeer is bovendien erg goed. Na een verfrissende douche, gaan we uit eten - lekker een dag niet koken! - in het restaurant van de camping om elkaar alle verhalen te kunnen vertellen. Een lekkere grote schnitzel met patat en sla, en als toetje ijs: dat gaat er wel in! Na het eten pakken we de camper in en scheuren weer terug naar Ulrichen, zodat Daan en ik de volgende morgen direct met de Nufenenpas kunnen beginnen. Het oude mannetje van de camping heeft netjes een plaatsje voor de camper vrijgehouden, precies naast onze tent. We zijn wat laat en al gauw is het donker. Daan en ik ruimen alle spullen die we zo snel in de tent hebben gedumpt even op. Pap moet op dat moment iets uit het luik aan de zijkant van de camper halen. Bij het dichtdoen van het luik, vergeet hij dat de deur wagenwijd  opstaat. Pap slaat het luik naar boven toe dicht en licht daarbij heel soepel de deur uit de scharnieren. Het is jammer dat ik het niet zie, maar vanuit de tent hoor ik een ongelofelijk kabaal. Ik kom naar buiten en zie daar pap met de deur in zijn handen staan. `Lekker bezig Nico', kan ik niet laten te roepen. Twee van de drie borgpennen kunnen we terugvinden in het gras. De deur wordt uitgedeukt en met wat ducktape hier en daar past het allemaal weer precies. Het begint te hozen en ik moet in de stromende regen naar het hok rennen om m'n tanden te poetsen. We hopen wel dat het morgen droog is, zodat de twee bergpassen het ons niet al te moeilijk zullen maken.
|