Om zes uur word ik wakker doordat stevige regenbuien met veel kabaal drumsessies aan het repeteren zijn op het doek van de tent. De verkoeling die de regen bracht, vond ik in eerste instantie wel fijn, maar nu mag het van mij wel weer ophouden. Ik draai me nog maar een keer om in de hoop dat het straks beter zal zijn en om acht uur is het gelukkig weer droog. Wel is er wat bewolking, maar die is meer dan welkom, zolang er geen regen uitkomt. Om ons heen zijn de kampementen al opgebroken - wat is dat toch voor vreemde obsessie van trekkers om in alle vroegte met een duffe kop op te staan om al je spullen in de schemering in te pakken, terwijl je nog heerlijk een paar uurtjes kan blijven liggen - en tegen de tijd dat wij wegrijden, is het veld al leeg. We crossen weer richting de ringweg en rijden deze in tegenstelling tot eergisteren

via de noordzijde, zodat we de gehele ringweg hebben gehad. Vergeleken met toen is het nu jammer genoeg niet zo erg druk. We nemen de afslag naar Casalecchio en doen bij de ons bekende supermarkt inkopen, ook al voor het avondeten, omdat we niet weten of we nog wel wat zullen tegenkomen onderweg. In Casalecchio kunnen we de route weer oppikken. Helaas is de betreffende weg eenrichtingsverkeer (geworden) - ik twijfel van tijd tot tijd aan de wegen die Hans Reitsma heeft uitgekozen: het getuigt soms meer van gemakzucht dan van hoogwaardig logistiek denkwerk - zodat we een heel stuk over de stoep moeten lopen. Even later kunnen we weer fietsen en verlaten we de voorstad van Bologna via de rivier de Reno. Hierbij moeten we over een weg rijden, waar om de tweehonderd meter een bord staat met de melding dat het een privé weg betreft waar

inrijden streng verboden is. Er staan verschillende Italiaanse teksten op de zeer frequente borden, zodat ik enkel kan concluderen dat hier ofwel een Tsjernobyl-achtige ramp moet zijn gebeurd ofwel het grootste Italiaanse staatsgeheim ligt begraven. Volgens Hans Reitsma kun je deze borden gewoon negeren, maar de bij elkaar zo'n twintig borden, samen met de hoge hekken aan de zijkant van de weg, geven mij een allesbehalve comfortabel gevoel. Nadat we ook een privé binnenplaats van een villa hebben geschonden, lijken we dit eigenaardige gebied te hebben doorkruist. Via een smalle houten brug steken we de rivier over en fietsen naar het dorpje Sasso Marconi om vanaf hier over de parallelweg van de snelweg te fietsen. Behalve dat dat een niet al te fraai gezicht is, is men er ook nog bezig met wegwerkzaamheden en scheuren vrachtwagens met zand en stenen ons van tijd tot tijd voorbij. Na Lama di Setta wordt het weer wat rustiger en vinden we een

schaduwplek voor de lunch en siesta. Vanwege de gevallen regen is het niet zo heet en verderop in de bergen zien we ook al wat dreigende luchten: een lange siësta is overbodig. Na nog tien kilometer langs de snelweg, slaan we bij Rioveggio een zijweg in en komen we in rustiger gebieden. Pas hier kunnen we zien hoe mooi de bosrijke, glooiende Apennijnen zijn en krijgen we ook nog een tien kilometer durende klim met stukjes van 6 procent: we gaan weer omhoog. Ondanks dat het ons relatief gemakkelijk af gaat, zweet ik mij om de een of andere reden het apelazerus. Wellicht dat het iets te maken heeft met de hoge luchtvochtigheid. Nadat we de top hebben bereikt van de Passo di Montefredente, slechts een magere 700 meter hoog, krijgen we nog een korte afdaling, waarna we in het kleine dorpje Pian del Voglio arriveren. De beschrijving naar de camping klopt niet helemaal, waardoor we het dorpje wel drie keer doorkruisen. Dat is bijzonder knap, zeker als je je bedenkt dat het dorpje dat tegen een heuvel aan ligt geplakt, met honderd meter eronder de grote snelweg, slechts vier wegen telt. Maar door deze extra kilometers vinden we wel een kleine buurtsuper waar we het toetje voor bij het avondeten veilig kunnen stellen - een onzer onaantastbare fietsgeboden. Na wat extra speurwerk, waarbij

een behulpzame Engelsman ons op het verkeerde pad brengt - `ik weet zeker dat ik daar ergens een camping heb gezien', wijzende in een richting waar een weg zich omhoog krult met stijgingspercentages waar je kippenvel van krijgt - vinden we toch de vier sterren camping. Dit doet mijn vermoeden dat de sterrenindex voor campings in Italië minstens een bereik van 1 tot 25 kent, wederom bevestigen. Wel worden we enthousiast ontvangen en kunnen we voor een redelijke prijs staan. We krijgen twee Nederlandse buren. Onze linker buren zijn een gezin met drie meisjes welke op wonderlijke wijze allemaal in hun 22-jarige Volkswagenbus slapen. Het motorblok heeft het echter begeven en nu moeten ze nog een manier zien te vinden om thuis te komen. Overmorgen moet de vader pas weer aan het werk, dus ze hebben in ieder geval alle tijd. Onze achterburen zijn twee actieve 50-plussers uit Zwolle die dezelfde route fietsen. De sportsandalen van de mannelijke helft van het stel doet mij vrezen voor het ergste. Een vrees die, zo zal al snel blijken, niet ongegrond is. Zij is heel aardig, hij een wat je een `blabla'-figuur kunt noemen. Vanaf het eerste begin kleedt Gert-Jan - Koga Myata fiets, Ortlieb tassen - ons figuurlijk uit op materiaalbasis. Waarom noemen we hem Gert-Jan? Geen idee, we weten zijn naam niet, maar Gert-Jan klonk in ieder geval dom genoeg om bij zijn verschijning te passen. Het begint al wanneer ik de haringen met mijn trouwe plastic hamer de grond in wil slaan. `Wij doen dat al dertig jaar met een steen', hoor ik achter mij. Zucht. Diep van binnen komt een vulkaan tot eruptie, wanneer mijn geliefde hamer, welke ik al bijna een maand met mij meesleep, uitgerekend vandaag, en om meer precies te zijn nu, heeft uitgekozen om te splijten op een haring. Ik bespaar mijzelf de beschrijving van Gert-Jans gezicht op dat moment. Volgens hem zouden Daan en ik in Zwitserland zonder bagage hebben gefietst, schudt hij zijn hoofd bij het zien van Jesper's tent, vraagt hij of ons eten wel te eten is, zegt hij dat hij het niet op instellingen als jeugdherbergen heeft als hij onze verhalen over Trento hoort en schampert hij bij het horen van onze etappeafstand van morgen: 35 kilometer. Een nare bemoeial dus, die wel erg veel door zijn vrouw laat opknappen. Gelukkig zijn ze om half tien al naar bed. Jesper, Daan en ik toasten nog een keer: Maarten is ondertussen met zijn kleren nog aan in slaap gevallen in de tent. Tegen half twaalf is het ook voor ons tijd om naar bed te gaan. Ik ga nog even naar het toilet en probeer daarna het slot weer los te doen. De deur gaat echter niet open. Na nogmaals draaien en tegen de deur rammen, kom ik tot de conclusie dat ik opgesloten zit. Ik zie echter dat ik over het muurtje van het toilet zou kunnen

klimmen. Dit lukt mij door eerst op de pot te gaan staan, vervolgens op een latje in de deur te gaan staan en mij daarna op te hijsen aan het muurtje om er als laatste moeizaam overheen te klauteren. Wanneer ik de twee meter naar beneden spring, barsten Jesper en Daan in lachen uit: dit hadden ze niet verwacht. Daan had voor de grap de deur dicht geklemd, grapjas. De lol is nog groter wanneer blijkt dat ik met mijn gefrutsel in het toilet uiteindelijk de deur weer op slot heb gedraaid. We lopen gauw naar buiten en kijken of niemand ons heeft gezien. De camping is echter doodstil. Hopende dat niemand dit zal merken voordat we vertrokken zijn, gaan we, melig van de slappe lach, naar bed.