Slapend in zulk een lekker bed hebben we de wekker nodig om wakker te worden. We maken nog een keer misbruik van de douche, genieten van een uitgebreide lunch op stoelen met kussens op het balkon achter de geraniums en zien de wolken uit het dal wegtrekken. Het zonnetje komt weer tevoorschijn. Er moet natuurlijk wel thee zijn onderweg, dus stoken we (illegaal) met ons gaspitje in de badkamer heet water. We zijn erg blij dat alles weer droog is en sjouwen alle spullen naar beneden om op de fietsen te hijsen. De fietsen zitten werkelijk helemaal onder de opgedroogde bagger. Gelukkig zijn ook alle spullen in het drooghok helemaal droog en kan alles weer ingepakt worden. Iets na tienen gaan we weer op weg en laten we Hause Tyrol achter ons. Nu het mooi weer is, kunnen we eindelijk genieten van het prachtige dal. Het eerste deel dalen en stijgen we lichtjes door het dal met de Inn als metgezel, langs weiden, akkertjes en kleine idyllische dorpjes, met altijd een kerktorentje en een sfeer die een combinatie

van Oostenrijk en Italië is. In Pfunds pakken we een zijweggetje op, dat ons van de grote weg af leidt. Deze rustige weg gaat door Zwitserland en loopt langs een slingerende rivier die zich een weg door de bergen baant en de grens vormt tussen de twee Alpenlanden. Links in Oostenrijk zien we een drukke weg via schachten en tunnels omhoog kruipen: we zijn blij dat we deze rustige en mooie weg hebben gekozen. We zoeven langs steile bergwanden door een brede kloof met alleen de rivier, de weg en onszelf naar Martinsbruck. Een paar kilometer voor het dorpje is er een klein inhammetje in de weg, waar we lekker aan het water kunnen lunchen en stenen naar Oostenrijk gooien. In Martinsbruck is er weer een brug over de Inn. Vóór de

brug gaan we door de Zwitserse douane en na de brug moeten we door de Oostenrijkse douane. Beide keren mogen we doorfietsen. Na deze oversteek begint direct de klim naar de Norbertshöhe op 1461 meter. Het zijn elf haarspeldbochten en ze worden in de bochten afgeteld. De klim is gemiddeld zes procent en goed te doen. Met een vaartje tegen en soms iets boven de tien kilometer per uur racen we naar boven, door het naaldbos. Hemelsbreed leggen we weinig af. Beneden liggen de geklommen haarspeldbochten als een trap achter ons en helemaal onderaan zien we de Inn en Martinsbruck liggen. Binnen niet al teveel tijd zijn we boven en krijgen we een kleine scherpe afdaling naar het

dorpje Nauders. We slingeren even door het dorpje met nauwe steegjes en kleine oude huisjes en komen op een fietspad. Via een aantal kilometers vals plat door uitgestrekte alpenweiden, waar 's winters druk de wintersport beoefend wordt, bereiken we de Reschenpas. We maken er een paar foto's en zetten vervolgens koers naar de grens, zo'n honderd meter verderop: voor Jesper en Maarten een mijlpaal, voor Daan de eerste keer Italië. Bij de kiosk vinden we ook stickers voor onze manie. Ook bij het bord `Italia' moeten natuurlijk de nodige foto's gemaakt worden voordat we met een stralend zonnetje boven ons lichtend dalend naar Reschen rijden. Hier staan we aan het begin van een groot stuwmeer. Bij de aanleg ervan is het oude dorp Reschen onder water verdwenen en alleen de kerktoren steekt er nog

boven uit. Het is een maf gezicht. Gauw rijden we weer verder en late de toeristentrekpleister en dus drukte achter ons. Via een fietspad langs het meer rijden we verder. Bij St. Valentino stoppen we om nog eens over het meer en de bergpas daarachter uit te kijken. We gaan van de route af en rijden over de westzijde van de Haidersee. Hier krijgen we een afdaling over een weggetje van nog geen twee meter breed door het bos. Het gaat van links naar rechts, op en neer door het

bos, maar vooral: naar beneden, steíl naar beneden, tot twaalf procent. Driftig bellend scheuren we met 60 á 65 over het pad, overhangend in de krappe bochtjes en soms heftig remmend. Ik scheur voorop en zie Jesper in mijn kielzog, gevolgd door Daan. Maarten blijft wat achter. Op een gegeven moment rijd ik op twee mannen af. Ze zien mij laat, botsen van schrik tegen elkaar aan en springen net op tijd opzij. Ik ben wat uitgelopen en besluit om even te hergroeperen. Na een minuutje zijn we allemaal weer compleet. We laten de remmen los en accelereren al snel naar de 60. Dan gebeurt het onverwachte. We jagen het bos uit en tegen de 60, zie ik een auto ons tegemoet komen, het hele pad bezettend. Precies daar is net gesproeid, zodat ik op het natte wegdek absoluut niet kan remmen zonder te slippen. De auto probeert zo ver mogelijk in de berm te rijden, zelf rij ik op het randje van het asfalt, en met de tassen schurend door de hoge berm passeer ik de auto met een vaartje van

50. Jesper volgt vlak achter mij. We stoppen even om op adem te komen en te kijken hoe het Daan en Maarten vergaat. Auto's hadden we op dit pad toch echt niet verwacht. Het gaat allemaal goed en we vervolgen onze weg naar Mals. Na Mals is het afgelopen met de steile afdalingen en met vals plat naar beneden rijden we een stukje door het bos langs de Etsch. Daarna leidt de fietsroute naar Prad ons over een onverhard pad vol stof en stenen door een woestijnachtig landschap. Het pad wordt steeds ruiger en op het moment dat we denken dat we verkeerd zitten, komen we in Prad. De eerste camping is wat groot en we rijden door. De tweede camping is wat kleiner, maar wel druk. Maarten, Daan en ik wachten in de brandende zon, terwijl Jesper ons incheckt. Aan de vele gele nummerborden te zien is dit een kleine Nederlandse enclave. Na een kwartier komt Jesper terug en wijst ons onze plaats aan: een smalle grind/gras strook langs het pad. Het sanitairgebouw is gelukkig

om de hoek en het ziet er allemaal ontzettend mooi en schoon uit. Aangezien het nog heet is, wachten we met de tent opzetten totdat we hebben gegeten. We krijgen het voor elkaar de tenten op het plaatsje te proppen en nog een plekje over te houden waar we kunnen zitten. Tot laat in de avond kletsen we nog, natuurlijk onder het genot van een cola whisky - er moet morgen trouwens een nieuwe fles gehaald worden - en chips.