De zon brandt ons de tent uit: het belooft een zeer warme dag te worden. We ontbijten en breken de tenten zo snel mogelijk af: we moeten vandaag een eind fietsen. Onze Nederlandse buren zijn al vertrokken. Strak tien uur vertrekken we weer. Even verderop is een supermarkt, zo heeft Maarten gisteravond al bevonden. We doen er de boodschapjes voor tussen de middag. Jesper en ik hebben wat moeite met het bestellen van brood: we kunnen allebei geen Italiaans, maar het meisje bij het brood kan ook niet al te best Engels. Met veel wijzen en nee en ja schudden krijgen we uiteindelijk toch onze broodjes en kunnen we op weg. We pakken de route weer op en wie komen we daar weer tegen? Onze Nederlandse medefietser van wie we nog steeds zijn naam niet weten. Hij vindt het wel fijn dat hij niet alleen hoeft te fietsen en telkens moet uitdokteren waar heen te fietsen en trekt met ons op. Al gauw vindt Maarten een slachtoffer in hem voor al z'n verhalen. Door wederom appelgaarden - we worden er een beetje appelig van - rijden we richting Bolzano. Bij St. Pauls krijgen we nog een behoorlijke felle

klim van ruim twee kilometer. Het hete asfalt slingert door wijngaarden omhoog langs stenen huisjes. Rechts van ons liggen hoge rotswanden met hier en daar bossen en aan de voet groene gaarden en kleine dorpjes. Onderweg hergroeperen we onder een boom om even op adem te komen, water te drinken en het gutsende zweet af te vegen. Vlak voor het dorpje hebben we een mooi uitzicht over het Etschtal. We rijden het idyllische dorpje met nauwe straatjes door en vervolgen onze weg door het dal. Na Appiano krijgen we nog een klein stukje drukke weg. In de verte zien we de Kalterer See. We moeten afslaan en krijgen een fikse afdaling door wijngaarden naar beneden. Met een lekker vaartje zoeven we langs het meertje. Na een aantal heuvels met wijnranken krijgen we weer rechte wegen door appelgaarden. Hoewel omringd door bergen, is het dal hier behoorlijk vlak en de wegen lijken aardig op die in de Nederlandse polder. De temperatuur komt ruim boven de dertig graden en ook al lijken we nog lekker fit door te koersen - de snelheid ligt iets boven de twintig - zijn we driftig op zoek naar schaduw om te lunchen en onze honger te stillen. Iets voor Margreid vinden we een

grote, naar blijkt later monumentale, boom. We stoppen in de schaduw. Onze tijdelijke reisgenoot vervolgt zijn weg richting Trento: we zullen hem vast wel weer tegenkomen. Op dit heetste uur van de dag houden we een kleine siësta en genieten een ruime lunch. Ik kan het ook niet laten om na al die miljarden appels die ik heb gezien, er nu eentje te plukken. Hij smaakt nog erg zuur en is keihard. Ik pluk er nog drie, wie weet kun je er wel lekkere appelmoes van maken. De vele appelkisten die onder de boom staan opgesteld, misbruiken we nog even als pispaal en dan pakken we weer in om verder te fietsen. Tegen half twee vervolgen we onze weg. We komen nog door een aantal kleine plaatsjes met krakkemikkige huisjes en dan is de provinciegrens daar: het einde van Zuid-Tirol en daarmee Duitstalig Italië. Bij Mezzocorona willen we via een brug de snelweg oversteken, maar deze is opengebroken. De opgeworpen barrière van puin kan ons echter niet stuiten en met enkele manoeuvres leiden we onze fietsen eroverheen. Hier hebben de Italianen het ongelofelijk initiatief genomen een fietspad langs de Adige (=Etsch) aan te leggen. Via een kaarsrecht pad en een windje in de rug koersen we boven de twintig kilometer per uur richting Trento. Bij Lavis houdt het fietspad op. Hier mondt een

klein riviertje uit in de Adige. Het stroompje is niet erg breed en een metertje of tien voor ons gaat het fietspad langs de Adige verder. Een simpel bruggetje zou afdoende zijn geweest, wij moeten echter de zijtak helemaal affietsen. Na drie kilometer komen we bij een brug en kunnen we de drie kilometer via de andere kant terugrijden naar de Adige. Terug op het fietspad, is de wind gedraaid. Eerst hebben we het windje nog van opzij, maar even later flink van voren. Aan de benen te merken, is er alweer een flink stuk afgelegd en de laatste kilometers naar Trento lijken eindeloos te duren. Na tachtig kilometer komen we in Trento aan, een grote rommelige stad, en al gauw komen herinneringen aan Rome naar boven. Diverse wegen en ons fietspad komen samen op een rotonde. Slingerend door het verkeer rijden we aanvankelijk te ver door. We hebben het adres van de jeugdherberg, maar er zijn nog een paar slingersessies nodig om het gebouw te vinden. De soms lugubere straatjes en huisjes in de stad deden mij in eerste instantie vrezen voor de jeugdherberg. Maarten en Daan passen op de geparkeerde fietsen op de stoep, terwijl Jesper en ik binnen polshoogte nemen. De jeugdherberg is netjes en schoon ingericht en we worden vriendelijk te woord gestaan aan de receptie. De overnachting is wat duur, maar inclusief ontbijt. Vreemd genoeg heeft de

jeugdherberg geen keuken. We vragen of we op de binnenplaats onze `campingaz' mogen gebruiken, maar dat is uit den boze: we kunnen in de kantine een maaltijd nuttigen. De fietsen kunnen we kwijt op de binnenplaats achter een stevig hek. De grote verhuizing kan beginnen. Voor de zoveelste keer maken we alle tassen los en in etappes klikken we met onze schoenplaatjes over de gladde stenen vloeren, onze armen volgeladen met spullen, naar onze kamer op de tweede verdieping. Het is wel heerlijk om de tent en kookspullen niet uit te hoeven pakken. We hebben een zespersoonskamer met douche en toilet plus een balkonnetje waar vanaf we het chaotische Italiaanse verkeer kunnen aanschouwen. We dumpen onze spullen bij de stapelbedden en maken uitgebreid gebruik van de douche: na een lange dag fietsen in de warme zon stinken we als otters. Opeens draait iemand met een sleutel onze deur open en verschijnt er een wat vunzige Italiaanse lapzwans bij ons op de kamer. Nadat hij zijn lakens op het stapelbed in de hoek heeft gedumpt, zien we hem niet meer terug. Een extra kamergenoot had van ons niet gehoeven. De kantine gaat pas om half acht open en we doden de tijd met cola drinken en vanaf het balkon staren naar het verkeer. Het kruispunt onder ons voorziet ons van enkele lachbuien om bijna-rampjes en roekeloos rijgedrag. In de kantine komen we onze metgezel wederom tegen, plus nog twee Nederlanders: een vader met z'n roodverbrande kreeft van een zoon die van Atos in Griekenland naar Nederland aan het fietsen zijn. Nou ja, naar Nederland fietsen: vanaf Zuid-Griekenland hebben ze de boot helemaal

naar Venetië genomen. Met de fietskilometers die je daarmee bespaart kun je een leuke fietsvakantie van enkele weken beleven. En zo zitten we met z'n zevenen aan tafel. De maaltijd van vanavond bestaat uit wat rauw dun gesneden vlees vooraf. De hoofdmaaltijd van pasta met een dun tomatensapsausje doet Jesper en mij denken aan de tijd in Rome, waar we vanwege het krappe Sprengelowbudget elke avond `penne' met tomatensap voorgeschoteld kregen. De `zoon', net als zijn vader een Hagenees voorzien van zwaar accent, heeft het hoogste woord. De sterkste verhalen over fietsen in Griekenland vliegen over de tafel. Druk gebarend en lachend bij elke zin vertelt hij dat hij al twee keer gedonderd was door z'n spd-pedalen. `Ik zag daar een lekker mokkeltje op een terrasje zitten en daar moest ik natuurlijk even naar toe. Nou ja goed, ik wil dus voor haar stoppen, even praatje maken, vergeet ik die klote pedalen. Met fiets en al kletter ik op mijn bek. Ik ben natuurlijk gauw doorgefietst' Onderweg was z'n bagagedrager ook al kats afgebroken. Van Floris, zo blijkt onze metgezel van de afgelopen week te heten, horen we het verhaal dat hij op de Silvretta van Nederlandse automobilisten had gehoord dat een stel Nederlandse jongens als een

vlaggencircus omhoog kwamen, waardoor hij direct wist dat wij het moesten zijn. Hij richt zich tot de Hagenezen: `Bovenop de Silvretta bieden ze me een sticker aan. Wat moet ik daar nou mee, dacht ik en tegelijk zie ik hen driftig de stickers op hun fietsen plakken: hun frames zaten al helemaal onder. Ik heb hem zelf op mijn hoofdstang geplakt, zodat ik hem altijd kan zien en ik moet zeggen: ik ben zo trots als een pauw. Als ik Rome mag bereiken, koop ik zeker weten een sticker.' Tot half tien blijven we nog gezellig nakletsen, totdat we de kantine worden uitgejaagd. Na het uitwisselen van emailadressen met Floris zodat we wat foto's over en weer kunnen sturen, gaan we weer terug naar onze kamer om onze resterende honger te stillen met de halve liters yoghurt die we, rekening houdend met een karige maaltijd, reeds hadden ingekocht bij de super om de hoek. Op het verkoelende balkon werken Jesper en ik onze verslagen bij onder het genot van een whisky cola. De Italiaanse lapzwans laat zich ook weer zien. Hij heeft geen bagage bij zich, behalve een heuptasje, en spreekt alleen onduidelijk Italiaans. Hij verdwijnt direct het toilet in, maar vliegt daar vijf seconden later weer uit, verjaagd door Maarten's aroma. Later probeert hij het nog een keer, nu om z'n ranzige voeten in de wastafel te wassen, vies zwart water op de vloer achterlatend. De man rookt en stinkt als een otter. We houden onze spullen maar extra goed in de gaten. Tegen half twaalf kruipen we onze stapelbedden in en wachten we tot onze kamergenoot zijn ogen op de nachtstand heeft staan. Vervolgens vallen we zelf in slaap.