Het rusten is weer voorbij en na drie dagen Gardameer is het nu tijd om de laatste stuiptrekkingen van de Alpen te overwinnen en naar de Povlakte te rijden. Rond kwart voor tien is alles weer ingepakt. Hier en daar worden we door onze landgenoten gegroet en rijden we

voor de zoveelste keer naar Bardolino. We stoppen bij het Bici Center voor Daan zijn versnellingen en omdat Maarten voor de zekerheid ook zijn voorband wil laten vervangen. De plaatselijke fietsenmaker vraagt of hij ons kan helpen. Ik haal alle spullen van Daan zijn fiets af en loop met het Italiaans mannetje mee naar de werkplaats onder de fietsenwinkel. In een donker hol is een werkplaats ingericht. Een knecht hangt de fiets op en controleert de versnellingen. De fietsenmaker schudt zijn hoofd terwijl hij de slappe versnellingskabel tien centimeter van het frame weet te trekken. Voor twee euro stelt hij het hele zooitje weer af, is de ketting weer geolied en pompt hij de banden ook nog op. Even later heeft Maarten ook weer een nieuwe band en kunnen we naar de supermarkt. De Povlakte biedt weinig inkoopmogelijkheden en morgen is het ook nog eens zondag, dus moet er flink wat ingekocht worden. Jesper en ik doen de boodschappen in de krioelende supermarkt. Grappige aan deze supermarkt is dat hij twee etages heeft en je met een lift naar boven moet, waar je precies met twee winkelwagentjes in kunt staan. We komen naar buiten met een winkelwagen vol boodschappen. Hoe we het doen, weet ik niet, maar op een of andere manier verdwijnt alles, inclusief de zestien liter water die we vanwege de hitte maar hebben gekocht, in de fietsen. Tegen elven kunnen we eindelijk op weg: het is ondertussen flink heet geworden. Om de route weer op te pikken, moeten we een korte, maar steile klim trotseren en het zweet breekt ons alweer aan alle kanten uit. Het meer verdwijnt gauw achter het licht glooiende landschap met wijngaarden. Plekken met schaduw worden echter al gauw schaars. We steken de snelweg over en krijgen een kleine klim, met daarna een korte afdaling waar we nog even kunnen genieten van de hoge snelheid. Maarten spot een plaats met een aantal bomen en schaduw en zo wordt dit onze plek voor een siësta van twee uur.

Behalve voor de lunch en het bijwerken van het verslag, gebruiken we de tijd ook om wat ergernissen over en weer uit te spreken: een onvermijdelijk moment in elke vakantie waar mensen dag in dag uit in nauw contact met elkaar moeten zien op te schieten. En ondanks dat zulke momenten niet de leukste zijn om te onthouden, kunnen ze op het moment zelf wel bevrijdend werken en de lucht enigszins klaren. Na deze onderbreking rijden we verder en beklimmen het voorlopig laatste heuveltje: op de top krijgen we uitzicht over de eindeloze Povlakte. Het voelt alsof we aan de poorten van de hel staan: plat zover het oog reikt, uitgestrekte weilanden en akkers, kaarsrechte linten elektriciteitsmasten en irrigatiekanalen, slechts hier en daar een boerderij en vrijwel geen bomen. Boven dit landschap zien we de lucht trillen en het doet ons beseffen dat hoogteverschil niet het enige criterium is voor de mate waarin fietsen slopend kan zijn. We beginnen aan een reeks van lange rechte wegen langs irrigatiekanaaltjes: het toerisme is in een klap weggevaagd en verkeer komen we nauwelijks nog tegen. Porto Mantovano is gelukkig niet zo heel ver meer. Het `dorp' bestaat uit een weg met drie uitgestorven boerderijen. Corte Chiara, zoals onze agritoeristische kampeerboerderij volgens het routeboekje moet heten, zit er echter niet bij. We besluiten bij een van de boerderijen annex landhuizen te drukken op een knopje naast de intercom die bevestigd is aan een kolossaal hekwerk die toegang biedt tot het terrein: een grote binnenplaats omringd door verscheidene gebouwen. Het hek draait langzaam open en honderd meter verderop gaat een deur open: een behulpzame Italiaan die zowaar een klein beetje Engels spreekt, vertelt ons dat we nog twee kilometer door moeten rijden. De kampeerboerderij doet aanvankelijk relatief luxe aan met een parkeerplaatsje, tennisveld, zwembad, paar gebouwen en een grasveldje. Wanneer we de binnenplaats oprijden, komt er een ouder, dikbuikig, hevig bezweet mannetje, schaars gekleed met een oude vale zwembroek, met slierterig vuil haar op ons af. De man is klein, heeft geen nek en door zijn ietwat gebogen houding heeft hij veel weg van Quasimodo. `Kampieng?' vraagt het mannetje. `Si' antwoord ik en meteen neemt het mannetje mij mee naar het grasveldje om de hoek, alwaar hij ons een uitermate krappe plaats aanwijst en we onze tenten nauwelijks kwijt kunnen. Ik maak de vergissing `quanta

costa?' te vragen en deze twee Italiaanse woorden vormen aanleiding voor de man om een complete preek in het Italiaans af te steken. We verstaan er geen jota van, maar de man gaat onverstoord door. Vervolgens sleurt de man mij mee naar het grootste gebouw op het terrein, waarschijnlijk een voormalig stal of iets dergelijks. We lopen naar binnen en het ventje laat mij de douche en toilet zien: op slag slaat mijn humeur om tot beneden het nulpunt. In de ruimte van wat eens waarschijnlijk een varkensstal was, zijn twee hokjes getimmerd: één voor mannen en één voor vrouwen. De mannenruimte heeft twee douchekoppen naast elkaar, de tegeltjes zijn scheef en vies bruin uitgeslagen. Er is een hurktoilet dat werkelijk waar eruit zit alsof de Amerikanen er de Hiroshimabom op hebben losgelaten: het zit helemaal onder de bagger en zit volledig onder de spetters. Wanneer ik met het vieze mannetje terugloop, word ik tot overmaat van ramp bijna aangevallen door twee overactieve waakhonden. Het verhaal is compleet. Nadeel is dat het al tussen vijf en zes uur is en de eerstvolgende camping pas tachtig kilometer verder te vinden is; behoorlijk klote is dat de prijs een schrikbarende 36 euro bedraagt. Het ranzige ventje verstaat geen woord van wat wij zeggen, of weet dat in ieder geval zeer goed te acteren. Het is heet, we zijn bezweet en moe, hebben geen puf meer om te discussiëren en verder gaan heeft al helemaal geen zin meer. We rusten maar even wat uit op ons miniplaatsje. Het mannetje, dat nu al kan rekenen op een overdosis antipathie van onze kant, spoort ons aan om onze tenten op te zetten, omdat we anders onze plaats kwijtraken. O ja, dat waren we vergeten: als we niet gauw genoeg onze plaats verzekeren, komen er straks horden toeristen die gaan vechten om ons plekje te mogen bemachtigen op deze overdadig luxe vijf sterrencamping. Idioot genoeg blijkt dat ook bijna nog te gebeuren. Wanneer we onze tent hebben opgezet, komt er eerst een Frans echtpaar dat vol goede moed hun tentje in een hoek van het veldje begint op te zetten. Even later komt er een Duits echtpaar met kinderen het terrein oprijden. De vrouw loopt met het ranzige ventje naar het toilet en wij kunnen niet tot een andere conclusie komen dan dat de vrouw wel binnen vijf seconden gillend naar buiten moet rennen om vervolgens manlief en kinderen de auto in te sleuren en het gaspedaal tot op de bodem in te trappen om maar snel genoeg weg te zijn van deze godverlaten teringzooi. Er gebeurt echter niets en ook deze mensen blijken serieus de overweging te hebben gemaakt om in plaats van met het snelle vervoermiddel dat

auto heet en waarmee je binnen een uur honderd kilometer weg kan zijn, te vertrekken en in de volgende grote plaats in een luxe hotel of tenminste op een nette camping te overnachten, hier te blijven en te kiezen voor primitieve faciliteiten waar zelfs het meest verschrikkelijke habskamp bij in het niet verschiet. We willen van het Italiaanse gezeik af zijn en zetten de tent op en beginnen maar aan het eten. Onder het eten, komt de boer en eigenaar van het complex thuis en begint te brabbelen met het vieze mannetje. Wanneer hij langs ons loopt, zegt hij dat het zwembad van hem is en wij vanavond gratis mogen gebruiken. Het maakt een einde aan onze innerlijke afweging om of niet te douchen en bezweet in onze slaapzakken te kruipen, of met het risico cholera op te lopen, te douchen in de stal. De overnachting moeten wij de volgende morgen met maar Franco - dus zo heet dat smerige huftertje - afhandelen: terstond dopen we Franco om tot `Fidel Franco'. Door alle ellende vergeten we te klagen over de prijs. We kleden ons maar gauw om, om daarna het zwembad als douche te kunnen gebruiken. Het water is lekker verkoelend. Als we uit het water komen, worden we echter belaagt door 21 luchtbrigades van de Italiaanse muggenluchtmacht. Zelf kom ik redelijk ongeschonden uit de strijd, Daan echter heeft na zorgvuldige hertelling, 72 muggenbulten over zijn gehele lichaam en ziet eruit alsof hij zich met volle overgave op een mierenhoop heeft gestort. In de verlaten kantine drogen we op en trekken chocolade en frisdrank uit de automaten om ons verdriet weg te consumeren. We praten en lachen nog wat na over onze ellende en gaan daarna maar naar bed, bij het verlaten van de kantine goed oppassend niet in een hinderlaag te lopen van één van de waakhonden met hondsdolheid. Wat een dag!