Worriken
|
Worriken
Afstand: 82 km
Hoogste punt: 634 m
Laagste punt: 94 m
Hoogtemeters: 1150 m
Klimmen: 39 km
Vlak: 7 km
Dalen: 35 km
Gestaag winnen we hoogte en bij Plombieres zijn we de tweehonderd meter gepasseerd. Schuin achter ons kunnen we de Vaalserberg met z'n zendtoren vernemen. Er zijn nog maar weinig afdalingen, er moet hier voornamelijk geklommen worden. Al gauw veranderen de plaatsnamen en zitten we in Duitsland Belgie, een grijs gebied waar Duits, Frans en een beetje Nederlands gesproken wordt, maar niemand weet wie/wat hij nu eigenlijk is. De natuur is er wel mooi. Het gebied is niet dichtbevolkt en zeker nu het zondag is, lijkt het hier verlaten. In Walhoen speelt het kerkorgel en vliegen flarden van gezang het open veld in.

Na een korte slingerende afdaling moeten we een klein roestkleurig beekje doorwaden. Hierna is het pad enkel nog onverhard met kuilen en scherpe stenen. Met acht tot tien procent hobbelen we moeizaam voort over het droge, zanderige pad. Er is hier niemand en wanneer de bomen af en toe plaats maken voor een open vlakte, lijken we in niemandsland verzeild. Na zo'n vijftig kilometer lang vals plat klimmen, is daar de top van zeshonderdveertig meter.

Dikke frieten verdwijnen in de frituurpan, waarvan het vet in geen tien jaar vervangen lijkt te zijn. Het mannetje dat de patatten bakt, schraapt met een plamuurmes het gemorste vet terug de pan in. Een paar tiental vliegen zwermen door de muffe keuken en doen zich tegoed aan salades, vlees en sla die er openlijk liggen uitgestald. De vrouw pakt twee grote borden en schept ze overvol met frieten. Een greep uit een pruttelende pan later ligt er enorme lap van een schnitzel bovenop en met een grote soeplepel kwakt de vrouw er een bruine saus overheen.
Compleet verslag
Koud! Het is niet lekker. Met de brandende zon op de tent is het binnen niet te harden, maar buiten is de temperatuur nog niet aangenaam voor fietsen. We moeten even wachten totdat de boer alle koeien naar de wei heeft geloodst. De weg is eenvoudig met een lijntje afgezet en op `t gemakje sjokken de koeien van de stal naar buiten.
De route van Benjamins gaat al gelijk flink op en neer: zo langs de Geul wisselen korte stevige klimmetjes met even ze steile afdalingen elkaar frequent af. Na Epen gaat het wat langer omhoog en winnen we hoogte naar de grensovergang. Via smalle paadjes slingeren we tussen de weilanden door, links en rechts liggen een aantal halfvervallen boederijen. Het kleine weggetje komt, verscholen tussen een paar heggen uit op een bredere weg. De watergeul aan de kant markeert de grens: het is onze eerste grensovergang van velen. De dorpjes veranderen en langs franse aanplakbiljetten, te grote basiliekachtige kerken voor de gehuchten waarin ze gebouwd zijn, rommelige voortuinen en scheefgezakte huizen, zoeven we voort. Gestaag winnen we hoogte en bij Plombieres zijn we de tweehonderd meter gepasseerd. Schuin achter ons kunnen we de Vaalserberg met z'n zendtoren vernemen. Er zijn nog maar weinig afdalingen, er moet hier voornamelijk geklommen worden. Al gauw veranderen de plaatsnamen en zitten we in Duitsland Belgie, een grijs gebied waar Duits, Frans en een beetje Nederlands gesproken wordt, maar niemand weet wie/wat hij nu eigenlijk is. De natuur is er wel mooi. Het gebied is niet dichtbevolkt en zeker nu het zondag is, lijkt het hier verlaten. In Walhoen speelt het kerkorgel en vliegen flarden van gezang het open veld in. De temperatuur stijgt en nu dat er veel geklommen moet worden, groeit de behoefe naar energie. Al om hlaf twaalf beginnen de magen te knorren. Voordat we het natuurgebied van de Hoge Venen in rijden, waar het echte klimwerk moet beginnen, stopppen we op een helling met een bankje naast de weg, voor de lunch. Heel in de verte is de Vaalserberg nog waar te nemen: het zal onze laatste blik op Nederland zijn voor de komende vier weken. Na een paar kilometer door het bos ligt daar het Lac d'Eupen: een lang stuwmeer dat het smalle dal heeft gevuld. In dit natuurgebied zijn de wegen verboden voor motorvoertuigen en zodoende is het rustig rijden. We rijden over de stuwdam en beginnen dan aan een lange klim door het dichte naaldbos, tot vijfhonderd meter hoogte, met zo'n zes tot zeven procent, soms iets meer. Na een korte slingerende afdaling moeten we een klein roestkleurig beekje doorwaden. Hierna is het pad enkel nog onverhard met kuilen en scherpe stenen. Met acht tot tien procent hobbelen we moeizaam voort over het droge, zanderige pad. Er is hier niemand en wanneer de bomen af en toe plaats maken voor een open vlakte, lijken we in niemandsland verzeild. Na zo'n vijftig kilometer lang vals plat klimmen, is daar de top van zeshonderdveertig meter. Het rijden in de volle zon zonder pet en met bezweet lichaam eist z'n tol: ik ben compleet rood en m'n neus en voorhoofd doen ontieglijk zeer. Zo op deze zanderige vlakte voel ik me welhaast een indiaan. We dalen af en zoeven het bos uit. Via een paar dorpjes, `leuke' heuveltjes en een klote onverhard paadje waar de bobkar van Maarten kantelt en zodoende z'n fiets tackelt waardoor Maarten op de punten stenen wordt gekwakt - hij mankeert gelukkig niets - is daar het dorpje Worikken. Bij de Konditori genieten we van een ijsje op het terras tegen de schrik en de dorst. Ook `s avonds genieten we van enige luxe door bij de Friturie uit eten te gaan. Daarvoor moet ik wel een half uur wachten in een kleine ruimte volgepropt met zwetende mensen. De eigenares is een dikke vrouw met een slagersschort voor vol met smerige vlekken, met een bol gezicht waar het zweet in druppeltjes vanaf naar beneden stroomt; slierterig haar zit plat op het hoofd geplakt. Dikke frieten verdwijnen in de frituurpan, waarvan het vet in geen tien jaar vervangen lijkt te zijn. Het mannetje dat de patatten bakt, schraapt met een plamuurmes het gemorste vet terug de pan in. Een paar tiental vliegen zwermen door de muffe keuken en doen zich tegoed aan salades, vlees en sla die er openlijk liggen uitgestald. De vrouw pakt twee grote borden en schept ze overvol met frieten. Een greep uit een pruttelende pan later ligt er enorme lap van een schnitzel bovenop en met een grote soeplepel kwakt de vrouw er een bruine saus overheen. Met de armen vol wurm ik me tussen de mensen door naar buiten. De keuken had ik eigenlijk niet moeten zien, maar het smaakt ons allebei heerlijk. De massacamping aan een meertje is niet de ideale kampeerplek - het grauwe sanitairgebouw lijkt op een bunker, in de grond weggemetseld en met kleine gangetjes en vieze douches - maar het is maar voor een nacht. Morgen naar Luxemburg!
|