Remich
|
Remich
Afstand: 138 km
Hoogste punt: 403 m
Laagste punt: 145 m
Hoogtemeters: 680 m
Klimmen: 58 km
Vlak: 17 km
Dalen: 63 km
We volgen de grensrivier nog een heel stuk. Het is koud en vochtig, het asfalt is nat en de naaldbossen dampen. Het lijkt welhaast een Eftelingachtig sprookjesdecor. Zeker wanneer na een klim zich een uitzicht over een van de vele meanderkronkels van de rivier zich ontvouwt. Naast bossen zijn er ook vele graasweiden op de hellingen aangelegd voor koeien en schapen en groeien her en der fruitbomen. In de kleine huisjes op deze hellingen moet het prachtig wonen zijn.


De chaos in Luxemburg valt tegen, ik had het anders verwacht. Na wat verkeerd rijden, ligt er plots een klein klinkerstraatje tussen twee huizen, dat steil naar beneden naar de oude binnenstad loopt. Dit gedeelte is rustiger en veel mooier. Helaas hebben we niet de tijd om ervan te genieten en daarnaast is het lastig rijden en draaien met een fiets vol bagage. Wil je ontspannen de mooie plekjes van de stad zien, moet je een rustdag nemen en te voet de stad doorlopen. We pakken de route langs de rivier de Alzette op en verlaten de stad op de manier zoals we zijn binnengekomen: via een achterdeur.

Het aanzicht van camping `Bon Accueil' is met z'n groezelige receptie heel anders dan de naam aanvankelijk deed vermoeden en een stel half gare scheelkijkende Polen met bier zijn dusdanig afschrikwekkend dat we, ondanks dat de teller al op negentig staat, besluiten maar door te rijden. Frankrijk is opeens niet zo heel ver meer en nadat de snelweg is overgestoken, staat er tussen de weilanden en akkers, zo naast het smalle weggetje, plots een grenspaaltje. Frankrijk in vijf dagen!
Na honderdvijfendertig kilometer verschijnt aan Luxemburgse zijde het dorp Remich, met een grote promenado vol restaurants en cafes. (...) De camping stelt niet meer voor dan een grasveld aan het water, maar de receptie is onderdeel van een, naar zo blijkt, goed aangeschreven restaurant.
Compleet verslag
Tot half een regent het pijpenstelen. Dan word ik wakker van een plotselinge stilte. `Gelukkig', denk ik, we hoeven ons verder geen zorgen te maken, en draai me nog een keer om. Om half zes begint het typische getik op het tentdoek weer. Ik hoop maar dat het over is als de wekker afgaat. Helaas, helaas. We slapen daarom maar wat extra uit en gaan pas naar buiten als het even na achten ophoudt. Als een razende worden alle spullen ingepakt. Nu al is het ritueel tot een routineklus verworden. Iets na tienen is daar het begin van de nieuwe etappe. We volgen de grensrivier nog een heel stuk. Het is koud en vochtig, het asfalt is nat en de naaldbossen dampen. Het lijkt welhaast een Eftelingachtig sprookjesdecor. Zeker wanneer na een klim zich een uitzicht over een van de vele meanderkronkels van de rivier zich ontvouwt. Naast bossen zijn er ook vele graasweiden op de hellingen aangelegd voor koeien en schapen en groeien her en der fruitbomen. In de kleine huisjes op deze hellingen moet het prachtig wonen zijn. Na een aantal kilometer gaat de route over een voor verkeer afgesloten pad. Via een afdaling van twintig procent vallen we naar beneden en komen weer bij de river uit. Even maken we de oversteek naar Duitsland, maar hier zijn ze met de weg bezig. Umleitung. Laat maar. Terug op de andere oever kan het fietspad langs de grote weg gevolgd worden en koersen we met een gangetje van vijfentwintig de rivier af. In de schaduw is het in dit dal met al dat vocht niet warm en de extra jacks zijn nodig. Een paar kilometer verder wijken we af van het water en laten de rivier die na de vermenging met de Sure verder gaat als de Sauer, achter ons. er is aardag wat hoogte verloren en het eerste stuk gaat omhoog het dal uit, weg van de laatste huisjes, het verlaten bos in, waar we een klein beekje, de Ernz Noire, volgen. Het gebied hier is dun bevolkt en dorpjes zijn schaars. Eigenlijk zou een supermarkt fijn zijn om nog wat extra in te slaan, maar die is er niet. het bos dat we doorkruisen is prachtig. De weg loopt licht op, links en rechts zien we afwisselend hoge rotswanden en kleine afgronden. Opvallend zijn de enorme rotspartijen die her en der in het bos liggen, het beekje verandert af en toe in een woeste waterval en kent flinke stroomversnellingen. Men heeft hier een pad aangelegd, waar je prachtig kunt wandelen en waar ook veel toeristen dankbaar gebruik van maken. Eenmaal uit het bos zitten we op ruim driehonderd meter en klimmen over de grote weg nog even door tot voorbij de zendmasten van radio Luxemburg. Junglinster is een groter dorp, waar diverse verbindingswegen bijeen komen en door de nabije industrie veel (vracht)verkeer rijdt. Achter een benzinepomp, goed een sixpack snickers, staat een bankje waar we kort lunchen. Na de nodige versnaperingen dalen we af en volgen daarna een tijd lang een mooi fietspad dat over het traject van een vroegere spoorlijn leidt. Het pad slingert door de bossen en er wordt goed geklommen. Doordat we telkens tussen de bomen zitten, kunnen we niet echt zien waar we zitten, maar ongemerkt naderen we Luxemburg-Stad. Vlakbij het vliegveld rijden we over een groot snelwegknooppunt en vangen de eerste glimpen van de grote stad op. Tot in de stad loopt het fietspad langs de snelweg. Het is een drukte van jewelste. Het beroemde fort staat in de steigers en is helaas niet te bezoeken. We steken de brug over het dal met daaronder de oude stad over en komen tercht in een wirwar van kantoorgebouwen, bouwplaatsen, winkelstraten en mensenmassa's. Het is een gedoe om de weg naar de oude binnenstad te vinden. De chaos in Luxemburg valt tegen, ik had het anders verwacht. Na wat verkeerd rijden, ligt er plots een klein klinkerstraatje tussen twee huizen, dat steil naar beneden naar de oude binnenstad loopt. Dit gedeelte is rustiger en veel mooier. Helaas hebben we niet de tijd om ervan te genieten en daarnaast is het lastig rijden en draaien met een fiets vol bagage. Wil je ontspannen de mooie plekjes van de stad zien, moet je een rustdag nemen en te voet de stad doorlopen. We pakken de route langs de rivier de Alzette op en verlaten de stad op de manier zoals we zijn binnengekomen: via een achterdeur. Het rustige paadjelangs de rivier leidt ns door de bossen weg van de stad. In het plaatsje van de gepland camping, Alzingen, is helaas geen supermarkt noch winkeltje waar eten te koop is. Na een korte stop bij de pinautomaat rijden we daarom door naar de camping in de hoop dat daar wat te krijgen is. Het aanzicht van camping `Bon Accueil' is met z'n groezelige receptie heel anders dan de naam aanvankelijk deed vermoeden en een stel half gare scheelkijkende Polen met bier zijn dusdanig afschrikwekkend dat we, ondanks dat de teller al op negentig staat, besluiten maar door te rijden. Frankrijk is opeens niet zo heel ver meer en nadat de snelweg is overgestoken, staat er tussen de weilanden en akkers, zo naast het smalle weggetje, plots een grenspaaltje. Frankrijk in vijf dagen! Het blijkt dus toch mogelijk. Het eerste dat dit land kan bieden is een kerncentrale met vier grote koeltorens en dikke pluimkoppen erop. Op de kaart bleek al dat dit eerste stuk van Frankrijk weinig heeft te bieden en a-toeristisch is. We hobbelen over verlaten wegen bult op, bult af en zien graanakkers zo ver het oog reikt. De dorpjes bestaan uit een paar huisjes en boerderijen, vaak verwaarloost. De `honger' begint toe te slaan en terwijl er gecheckt wordt hoeveel kilometer het nog naar de Moezel is, snaai ik gauw een paar droge boterhammen uit de achtertas. Het dorp Mulling aan de Moezel heeft weinig meer te bieden dan een groezelig grasveld dat als camping moet doorgaan. Geen supermarkt. De volgende camping op de route ligt vijftig kilometernaar het zuiden, terwijl we er al ruim honderd hebben gehad. We kijken elkaar aan en kiezen er dan maar voor naar het noorden de Moezel af te rijden, waar de campings talrijker zijn. Over de grote weg naar Sierch-les-Bains maken we ook direct kennis met de Franse rijvaardigheid. Daar waar negentig mag, jakkeren de Peugeots, Citroens en Renaults ons met dik honderd vlak langs de fietstassen, terwijl we met een gangetje van tien naar boven klauteren. Na een kort uitzicht over de Moezel, jagen we met twaalf procent het dorp in. Ah, er staat een supermarkt aangegeven: linksaf `deux minutes'. Zodra we linksaf slaan, verdwijnt echter alle bewoning en zien we resten wat eens florisante industrie moet zijn geweest. Geen supermarkt. De aangegeven camping lijkt ook nog eens op een woonwagenkamp. Ik begin de moed een klein beetje te verliezen als we aan de andere kant van de Moezel moedeloos op een kruispunt stil staan. Van ellende pak ik nog maar een korstje om op de knabbelen en krijg de hik van mijn gulzigheid. Dan maar naar Duitsland, waar de Moezel twee voetbalstadions breed is, wijnranken de hellingen flankeren en boten vol bejaarden de rivier op en af varen langs de duizend restaurantjes met biergarten, grootse barbeque's en kleine pensions met heerlijk donzen bedden en warme douches. Toch? We rijden over de doorgaande route naar het noorden aan de westkant van de rivier. Na een paar kilometer verschijnt een supermarkt: aan de andere kant van de rivier! Natuurlijk is er geen oversteek. We zuchten nog maar een keer, slikken het laatste korstje brood weg met wat water en schrijden voort, lachend. Niet veel later zitten we weer in Luxemburg, in het beroemde plaatsje dat niemand kent, behalve van het verdrag van Schengen. De route gaat door aan de Duitse kant van de rivier. Eenmaal overgestoken zien we na tien minuten aan de Luxemburgse kant tankstations met uitpuilende winkeltjes vol lekkernijen. Zucht... Na honderdvijfendertig kilometer verschijnt aan Luxemburgse zijde het dorp Remich, met een grote promenado vol restaurants en cafes. Aan de Duitse kant zijn twee campings, maar deze zien er niet zo geweldig uit. Via de brug passeren we (alweer) de grensovergang. De camping in Remich blijkt te zijn weggevaagd voor de aanleg van een parkeerterrein. Zucht... Dan maar weer terug de brug over, grensovergang zeven van vandaag. Zal het dan toch zover komen dat ik in Duitsland overnacht? De camping stelt niet meer voor dan een grasveld aan het water, maar de receptie is onderdeel van een, naar zo blijkt, goed aangeschreven restaurant. Dat is zeerr mooi, want na honderdveertig kilometer verrekken we van de trek en reserveren een tafel voor twee. Hoe bitter smaakt het wanneer we om de hoek van de receptie rijden en daar het Nederlands echtpaar die een paar tenten verderop stonden op de camping van Worriken, reeds voor hun opgezette tweepersoons Vaudetentje (doodskist) zien zitten. Ze zijn iets ten zuiden van Obereisenbach vanmorgen vertrokken en hebben heel ontspannen lekker langs de Moezel gereden, slechts zeventig kilometer was het voor hun vandaag. Humpf. De tent wordt in recordtempo opgezet en we kleden ons om zonder te douchen. Met de fietsschoenen aan betreden we het toch wel sjieke restaurant. Met uitzicht over de Moezel en Remich aan de andere zijde genieten we werkelijk van een geweldige steak met patat, sla en een biertje, terwijl de zon door de bewolking breekt en een rode avondgloed zich over de hemel verspreid.
|