Montmelon
Afstand: 130 km
Hoogste punt: 884 m
Laagste punt: 301 m
Hoogtemeters: 1441 m
Klimmen: 64 km
Vlak: 9 km
Dalen: 58 km
De weg slingert zich eerst rustig naar boven langs een stroompje. Pas na het stille dorpje Ventron, waar een enkeling ons gapent nakijkt, is de klim wat steiler en verschijnt in het bos zowaar een haarspeldbocht. Echt zwaar is de klim niet en uitgezonderd een korte stop voor het maken van een foto van het groene dal achter ons met op de voorgrond weiden met loslopende ponny's, tuffen we met een vaartje van vijftien kilometer per uur naar boven. De top stelt niet meer voor dan een parkeerplaatsje in het bos, met een bordje langs de weg, tezamen met een grenssteen om ons opnieuw te bevestigen dat dit het einde van een departement is.
Het is nog maar tien kilometer naar de camping. Maarten en ik kijken elkaar aan en denken hetzelfde.
`Doen?'
`Ja, we doen het gewoon'
We gaan naar Zwitserland. Ons voornemen krijgt meer grond als we weer tussen de graanvelden rijden. Dat heb ik nu toch echt wel gezien!
Zwitserland!
Oh, oh, oh, wat hebben we onszelf aangedaan. De weg gaat het eerste stuk met tien tot vijftien procent omhoog. Tergend langzaam en met bijtend zuur in de benen tandenknarsen we ons een weg naar boven, langs een doodstille saaie grauwe steengroeve. Het wordt ons weer even zwart voor de ogen en we moeten stoppen om op adem te komen.
Compleet verslag
Warm is het niet, maar het is tenminste droog als we op de fiets stappen voor onze eerste col. Het eerste stuk kunnen we nog het fietspad volgen, waarmee we alvast gestaag wat hoogte winnen. De eigenlijke klim begint in Cornimont, waar de afslag naar de Col ligt. Daar zit je al op vijfhonderdentwintig meter en de top ligt op achthonderdvijfenzeventig meter. Over een traject van ongeveer twaalf kilometer is het dus goed te doen. De weg slingert zich eerst rustig naar boven langs een stroompje. Pas na het stille dorpje Ventron, waar een enkeling ons gapent nakijkt, is de klim wat steiler en verschijnt in het bos zowaar een haarspeldbocht. Echt zwaar is de klim niet en uitgezonderd een korte stop voor het maken van een foto van het groene dal achter ons met op de voorgrond weiden met loslopende ponny's, tuffen we met een vaartje van vijftien kilometer per uur naar boven. De top stelt niet meer voor dan een parkeerplaatsje in het bos, met een bordje langs de weg, tezamen met een grenssteen om ons opnieuw te bevestigen dat dit het einde van een departement is. Vosges ligt achter ons, we bevinden ons nu in de Haute Rhin. De oostkant van de col lijkt me lastiger te beklimmen: de afdaling gaat steil naar beneden er er volgen een paar haarspeldbochten. Hier en daar zwoegen bezwete racefietsers met gladde kuiten omhoog. Ik vermoed dat ze niet veel sneller naar boven gaan dan wij daarstraks deden. De blikken op hun natte gezichten bij het zien van deze met bagage volgehangen gekken laten mij nog tien kilometer naglunderen. Naar beneden flitsend zien we tussen de bomen door af en toe een prachtig uitzicht over het dal. Ongelooflijk hoe snel je een paar honderd meter hoogte kwijt kan zijn. Eenmaal beneden volgen we een bestaande fietsroute aangegeven met bordjes. Het slingert wat tussen de spoorlijn en de grote weg. Het dal is breed, met aan beide kanten imposante heuvels. Naarmate de kilometer voorbij glijden worden ze echter rap lager en het lijkt er stevig op dat we de Elzas snel achter ons kunnen laten. Het water raakt bijna op en ik hoop dat we op de hoofdweg een tankstation vinden om nieuw in te slaan. Ook op zondag is hier alles echter dicht. Gelukkig is Thann niet ver meer, een groter dorp eigenlijk al aan het einde van de Elzas: hierna glooit het landschap alleen nog. In een netjes aangelegd park met grasvelden, vijvers en bankjes met zowaar prullenbakken stoppen we voor de lunch. Een zwerver zit aan de andere kant op een bankje en staart ons aan, zijn herdershond die onder het bankje ligt te knikkebollen kijkt even sloom op. Het leven staat zondags stil in Thann. Het is nog maar tien kilometer naar de camping. Maarten en ik kijken elkaar aan en denken hetzelfde. `Doen?' `Ja, we doen het gewoon' We gaan naar Zwitserland. Ons voornemen krijgt meer grond als we weer tussen de graanvelden rijden. Dat heb ik nu toch echt wel gezien! toch krijgen we nog even een behoorlijke klim naar vierhonderdvijfenzeventig meter met een aantal haarspeldbochten. Vlak bij de top zit een gezin aan een picknicktafel tussen allerlei lekkere hapjes. Een jongen ziet ons voorbijkomen en wijst. Het hele gezin draait zich om en volgt ons. Ik lach en zwaai en ze zwaaien vriendelijk terug. Maarten wacht al boven op de top. Kijkend naar het oosten zien we links de uitlopers van de Vogezen/Elzas, in het midden laagland met akkers en rechts als een rechtomstaande muur de Jura. Daar is Zwitserland! Het is echter nog wel een behoorlijk stuk rijden en het glooiende op en neer rijden sloopt ons. Daarnaast is de lucht helemaal dicht getrokken en vallen de eerste spetters. Al gauw begint het steeds harder te regenen. Op de GPS vraag ik het dichtstbijzijnde tankstation op en met een gangetje van boven de vijfentwintig kilometer per uur racen we erheen. Maarten rijdt me uit de wind, woest bewegend houdt hij de vaart erin. Regendruppels en modderspetters spatten van zijn wiel om en bespikkelen mijn fietstassen en gezicht. Het tankstation in Dannemarie is ook dicht, maar we kunnen er even schuilen. Moedeloos laat ik me op het koude asfalt zakken, ik heb geen puf meer. Ik baal echt dat alles dicht is: het water en brood is bijna op en de benen voelen aan als pap. Dit grauwe dorp en de regen dragen hun steentje bij aan de sfeer. Een auto scheurt met piepende banden voorbij. Een jongen hangt uit het raam en schreeuwt: `Allee, Rasmussen!' Het geeft me weer wat hoop en plots houdt het op met regenen. Wat narillend van de kou stappen we weer op. Iets na Dannemarie pakken we weer een fietspad over een voormalig spport op. Het asvalt is zeiknat en het water en modder spetter ons om de oren. Maarten en ik zijn het een beetje zat en op de automatische piloot racen we door om zo snel mogelijk in Zwitserland te komen. Af en toe rijden we tegen de dertig aan, het wordt me zwart voor de ogen. Een jochie probeert ons te pesten door in volle sprint bij ons aan te klampen. Met een ietswat overdreven woest gebaar en een paar scheldwoorden jaag ik het verbauwereerde jochie weg. Laat hem eerst maar duizend kilometer rijden! Aan het einde van het fietspad zijn we helemaal leeg. Het is inmiddels half vijf geweest en we hebben totaal geen energie meer: de benen zijn van elastiek. Met holle ogen - steeds vaker blokkeren zwarte vlekken mijn zicht - en trillende handen kloppen we aan bij een camping. Waarom weet ik niet (waarschijnlijk omdat we door het blind jagen niet meer kunnen denken), maar in plaats van te vragen of er nog plek is vraag ik of ze nog eten hebben. De vrouw achter de balie kijkt me verbaasd aan en zegt dat ze alleen nog maar brood van vanmorgen heeft. Maakt niet uit, zeg ik, en even later loop ik met een groot stokbrood en twee ijsjes naar buiten. Op een stenen bankje even verderop naast de favoriete hangplek van de plaatselijke jeugd met scooters, bunkeren we als hongerige wolven alles naar binnen. Iets bijgekomen stappen we weer op de fiets, mijn zeem voelt aan als schuurpapier. We zijn verblind: Zwitserland halen is alles wat geldt. We volgen nog even een riviertje, maar na het dorpje Liebsdorf moet er nog geklommen worden. De grens ligt op bijna vijfhonderd meter. De benen verzuren al aardig als we aan deze eerste klim van de Jura beginnen. De weg is gelukkig verlaten, bijna niemand gebruikt deze grensovergang. De akkers verdwijnen achter ons en na nog een stukje door het bos zien we een eenzame Zwitserse vlag wapperen naast een vervallen, kennelijk niet meer in gebruik zijnde grenspost. Dat het weer begint te druppelen kan me niets schelen. We geven elkaar een high five terwijl we over de grens rollen. Zwitserland in tien dagen! Maarten watert nog even af tegen de grenspaal en in die tijd zet ik gauw het statief op: van dit memorabele moment moet een foto gemaakt worden. Het einde is echter nog niet in zicht. Na een kleine afdaling komen we in Miecourt, ons eerste Zwitserse plaatsje. Op de hoek van de kruising met de hoofdweg staat een pinapparaat, welke direct even beroofd wordt van een paar Zwitserse flappen. Tussen de landerijen door - voornamelijk boerderijen met wat vee - slingeren we naar het plaatsje Cornol, het laatste bewoonde gehucht - alhoewel ik niemand buiten zie - voor onze camping. Dit is tevens de voet van de Col des Rangiers of zoals wij hem eerder zouden kunnen noemen: de Col met de houten hamer. Oh, oh, oh, wat hebben we onszelf aangedaan. De weg gaat het eerste stuk met tien tot vijftien procent omhoog. Tergend langzaam en met bijtend zuur in de benen tandenknarsen we ons een weg naar boven, langs een doodstille saaie grauwe steengroeve. Het wordt ons weer even zwart voor de ogen en we moeten stoppen om op adem te komen. Het is nat en vochtig, maar in onze bidons zit nog maar voor een paar slokken water. Na een klein stukje vlak klimmen we via kronkelende weggetjes door het bos omhoog. Het dal is hier smal en we rijden half door de mist. De regenjacks ademen niet en ik word zeiknat van mijn eigen condenserende zweet. `Maarten?' `Ja?' `Fietsen is leuk.' `Grrr' Fietsen is niet altijd leuk. De steile groene weiden met grazende koeien maken het een beetje goed. Na om nog een paar rotswanden heen te zijn geklommen en laatste water uit onze bidons geperst te hebben, komen we op de top van 793 meter. Vanuit onze luie stoel achter de PC hebben we van tevoren bedacht dat het wel zou lukken om hier een zijweg af te dalen naar een dal om daar op een camping te overnachten en de volgende dag terug te klimmen naar de top (een andere weg is er niet). Nog verder doorrijden - we hebben al dik honderd kilometer gehad - is geen optie en met pijn in het hart zie ik op de hoogtemeter de cijfers rap veranderen, terwijl we met zestig kilometer per uur door het bos naar beneden jagen. Het is hier tien tot vijftien procent. In het dal zitten we nog maar op vierhonderdvijftig meter en het is er zo steil dat de hemel boven ons een stuk kleiner is. Hier moeten we nog een zijweg nemen waarbij we, zij het geleidelijk, langs een riviertje verder afdalen. Het begint harder te regenen. Het dal houdt zijn adem in, zo smal is het, en het lijkt alsof we op een onbewoonde planeet zijn gekomen. Tweemaal treffen we een verzameling vervallen groep caravans aan het water aan, wat ons doet vrezen voor de camping. Die blijkt er gelukkig wel te zijn, helemaal aan het einde van de weg en na honderdendertig kilometer kunnen we, compleet gesloopt na tien dagen fietsen en deze monstertocht, de fietsen stilzetten. Het is een kleine camping en we mogen onze tent aan het water opzetten. De combinatie van onze uitgewoonde gezichten en de stortregen die nu naar beneden komt, doen de campingbaas besluiten ons een bed aan te bieden in de schuur boven het restaurantje. Het is een donkere ruimte vol stapelbedden en rotzooi, onder de dakpannen, maar het is droog en we mogen de fietsen binnen zetten. Ik hang mijn spochtige kleding uit over de bedden in het licht van het kleine peertje dat bovenin de nok hangt. Zin in koken hebben we niet meer en we nuttigen steak met patat in het restaurantje voor een schandalige 75 francs. Maar het kan me helemaal niets schelen. Helemaal kapot laten we ons in bed vallen, terwijl de regen op het dak slaat. `Waar ben ik in vredesnaam terecht gekomen en hoe kom ik ooit nog uit dit dal?' kan ik nog net denken voordat ik in een diepe slaap wegzink. De twee andere fietsers, die aan de andere kant van de ruimte slapen, hebben totaal geen last van ons.