Bielersee
|
Bielersee
Afstand: 71 km
Hoogste punt: 940 m
Laagste punt: 412 m
Hoogtemeters: 1045 m
Klimmen: 32 km
Vlak: 9 km
Dalen: 31 km
Midden in de nacht wordt ik wakker. Het is muisstil en pikkedonker. Een heel flauw schijnsel dringt binnen door de twee met spinrag bedekte kleine raampjes bovenin de schuur. `Oehoe' klinkt het plotseling uit het bos. We liggen helemaal in een hoekje van de schuur en zo in het pikkedonker met allemaal rotzooi om ons heen, voel ik me niet op m'n gemak. Ik probeer mijn ogen aan het donker te laten wennen en kijk naar de twee kleine raampjes. Plotseling schuift er een schaduw voor het flauwe licht.
Dwars door het riviertje hebben de Zwitsers een asfaltstrook gebaggerd. De rotswanden aan beide kanten zijn imposant: slechts een kleine strook van de hemel blijft er boven je hoofd over.
De veiligheidshesjes gaan weer aan en we rijden de oprit naar de snelweg op. Dit is idioot, denk ik nog als we invoegen op de rechterrijstrook, waar het fietspad staat aangegeven met gele onderbroken strepen. Gelukkig mag het verkeer hier niet zo hard en strak op het uiterste van de rechter rijbaan scheuren we naar beneden. De tunnels genereren de meeste adrenaline: het geluid van het aanstormend verkeer zou menigeen kippenvel kunnen bezorgen. De automobilisten wijken echter ruim uit - hoewel ze ons met stomme verbazing nakijken - en een beetje bijtrappend genieten we van deze uniek ervaring. Een groepje motorrijders komt langszij rijden en steken hun duimen op met een grote grimas op hun gezicht

We krijgen een prachtig plaatsje onder een appelboom temidden van nog wat andere fietsers. Het sanitair is goed verzorgd en als we te horen krijgen dat het morgen mooi weer gaat worden, kan onze dag niet meer stuk. Aan de andere kant van het meer liggen de ruige pieken van de Jura. In de rode avondgloed kleuren ze prachtig op. (...) Aan de oostkant van het gebergte strekt zich een fel fonkelene sterrenhemel uit boven onze hoofden. Ik leun tegen het hekje naast de tent met een cola in de hand en geniet van de Melkweg boven mijn hoofd. Met een schuin oog kijkend naar de Jura, wetende wat erachter ligt, overvalt me een haast arrogant voldaan gevoel.
Compleet verslag
Midden in de nacht wordt ik wakker. Het is muisstil en pikkedonker. Een heel flauw schijnsel dringt binnen door de twee met spinrag bedekte kleine raampjes bovenin de schuur. `Oehoe' klinkt het plotseling uit het bos. We liggen helemaal in een hoekje van de schuur en zo in het pikkedonker met allemaal rotzooi om ons heen, voel ik me niet op m'n gemak. Ik probeer mijn ogen aan het donker te laten wennen en kijk naar de twee kleine raampjes. Plotseling schuift er een schaduw voor het flauwe licht. Mijn hart slaat over en ik houd me adem in terwijl ik probeer te focussen op de schaduw. Wie staat daar een paar meter van me af? De schaduw staat bijna stil. Twee minuten staar ik naar de donkere plek totdat ik erachter kom dat het mijn eigen fietsbroek is die zachtjes wiegend in het licht aan het stapelbed boven mij hangt om te drogen. Ik blaas weer uit. Dan hoor ik de vloer zachtjes kraken gevolgd door zacht getik. Wat nu weer? Maarten is ook wakker geworden en draait zich om. Op het bed naast hem zit een muis. Ik kruip diep in m'n slaapzak en knijp de ogen dicht. Als ik in slaap val, zal het vast snel ochtend zijn.
Flits... KNETTER...
En vervolgens een keiharde knal. Ik zit rechtop in m'n bed. In de weerlichten lees ik de tijd op m'n horloge, het is half zeven uur. De bliksem slaat een paar honderd meter verder in. De regen slaat zo hard op het dak dat het ook binnen door de kiertjes begint te druppelen. Op deze manier bieden de stapelbeden wel uitkomst. Het blijft doorregenen en moe als we zijn van gisteren, slapen we daarom maar uit tot half negen. Het lijkt droog te worden. Voordeel is dat de tent nog ingepakt zit en er ook geen keukengerei is gebruikt. De kleren zijn gelukkig ook weer droog. Nadeel is dat we geen brood en water meer hebben, de camping kan ons hier ook niet aan helpen. Met iets meer dan gezonde tegenzin stappen we op de fiets en rijden langs het stroompje terug omhoog. Op de kruizing met de grotere weg - waarvandaan we de afgedaalde klim nog terug moeten afleggen - ligt het dorpje St. Ursanne. In dit lieflijk dorpje met straatjes van kasseien is zowaar een Coop gevestigd. Fietsen op een lege maag is niets en we slaan groots brood, lekkers en water in. Met de armen vol met boodschappen stap ik naar buiten en wordt onthaald met een keiharde hoosbui. Het gevoel dat je dan hebt tijdens het haastig inpakken van je brood dat met de regen al gauw tot een papperige brei transformeert terwijl een aantal mensen bij de uitgang van de supermarkt je koeiig aanstaren, is onbeschrijflijk. Even later is het droog. Terug op de kruizing stoppen we bij de ranzige camping waar we vannacht niet wilden slapen en daarom maar doorreden. Ze hebben namelijk wel overdekte picknicktafels en deze misbruiken we om eens uitgebreid te ontbijten. Inmiddels verdampt de gevallen regen. Sluierige mistwolken krioelen naar boven en vormen nieuwe regenbuien. Binnen een kwartier is de cycles compleet en dondert het water weer naar beneden. We moeten maken dat we hier wegkomen. Met de beenstaukken en regenpakken aan gaat het terug de Col des Rangiers op. Spijt als haren op ons hoofd hebben we dat we gisteren hier zijn afgedaald. Met tien kilometer per uur klauteren we de steile klim op, er moet driehonderdvijftig meter geklommen worden. Regenpakken veranderen in microklimaatjes en tussen huid en plastic woeden hevige zweet onweersbuien. Het kost ons zo'n drie kwartier om weer boven te staan, terug waar we gister aan het eind van de dag al waren. En het is nu al half een! We genieten we van de afdaling naar het volgende dal, mede omdat het weer daar beter lijkt te zijn. Na een paar haarspeldbochten strekt de weg zich om zo'n twee kilometer lang recht naar beneden af te dalen. Het asfalt is hier droog en we kunnen de fietsen lekker laten vallen. De teller reikt tot vierenzeventig kilometer per uur. Na het dorpje Glovlier slaat de schrik ons om het hart. Voor ons kringelt de weg omhoog en in de berm staat een bordje: veertien procent gedurende vier kilometer. Gelukkig blijkt dat we een verkeerde afslag hebben genomen. De juiste gaat, zij het iets minder steil, ook omhoog. Na het dorp Undervelier gaat het al snel veel steiler omhoog. De beide bergwanden van het al komen hier samen. Recht voor ons heeft een klein bergriviertje het toch voor elkaar gekregen om tussen de wanden en door dihte naaldbossen zich met watervallen en stroomversnellingen naar beneden te wurmen. Dwars door het riviertje hebben de Zwitsers een asfaltstrook gebaggerd. De rotswanden aan beide kanten zijn imposant: slechts een kleine strook van de hemel blijft er boven je hoofd over. Het gaat hier echt retesteil omhoog. Rotswand na rotswand laten we achter ons, tot op een punt waarbij de ingang van een in de rotsen uitgehouwen tunnel verschijnt. Ernaast staat een bordje: achthonderd meter. Op een klein inhammetje midden op een steil stuk stoppen we om de veiligheidshestjes aan te trekken en het ledlampje op Maartens kar aan te zetten. Hierbij verliest hij bijna het evenwicht. Het moeite gaan we weer op onze trappers staan, om vervolgens na de bocht erachter te komen dat de tunnel geen achthonderd, maar hooguit tachtig meter lang is. Zuchtend stoppen we bij een volgende iets grotere inham waarlangs een flinke stroomversnelling van de beek naar beneden raast, om de hesjes weer uit te trekken en onszelf te troosten met een hapje banaan. De klim wordt al gauw wat minder steil en een paar kilometer gaat de weg over een soort van glooiend plateau met grasweiden. Het zijn alleen geen koeien, maar paarden van de paardenfokkerijen die hier grazen. Na het passeren van een gesloten inrichting die gevestigd is in een kasteel dat zo als decor zou kunnen dienen voor een Harry Potter film, is de top van ongeveer negenhonderdenveertig meter bereikt. Mijmerend op de fietsen vraag ik me af wie er geestelijk meer gestoord is: de mensen achter die dikke muren of die twee idiote eenzame fietsers daarbuiten. De magen beginnen weer te klagen en het eerste het beste bushokje is de pineut. De bus komt maar vier keer per dag en daarom satallen we het brood, beleg en borden uit op het bankje. Het laatste pakje hagelslag maak ik soldaat, wel heb ik nog een half potje pindakaas, dat lust Maarten gelukkig niet. Hoe verlaten het hier is blijkt wel uit de aanwezigheid van een handvol grote kruisspinnen die zich in de bovenhoeken van het hokje verschuilen. Een zweefbij is het haasje. Na een heftige strijd met de toegesnelde spin bezwijkt hij aan het verlammende gif. De spin wikkelt z'n prooi in slijmerige draden en begint al snel aan het verorberen van het arme diertje: de spin heeft blijkbaar ook weinig bezoekers hier. Blij als we zijn twee van de drie cols van vandaag al gedaan te hebben, dalwn we af naar het plaatsje Tavannes. Hier begint de derde col, maar deze stelt niet veel meer voor dan een paar bochten vals plat. De Jura lijkt overwonnen en ons einddoel, de Bielersee aan het einde van de Jura en begin van de Zwitserse vlakte, komt rap nabij. Nog een heuvelruggetje ligt er voor ons en er zijn twee mogelijkheden deze over te steken: via een treintje dat je voor slechts een franc naar Biel brengt of via een fietspad dat op de snelweg loopt (niet erboven of ernaast met een hek ertussen: nee, op de rechter rijstrook aangegeven met gele onderbroken strepen) en via een paar tunnels en een afdaling door de heuvels heen gaat. We horen thuis de verhalen al. `Zijn jullie helemaal naar Monaco gefietst?' `Ja, helemaal. Of nee, in Zwitserland hebben we een treintje genomen.' En dus gaan de veiligheidshesjes weer aan en rijden we de oprit naar de snelweg op. Dit is idioot, denk ik nog als we invoegen op de rechterrijstrook. Gelukkig mag het verkeer hier niet zo hard en strak op het uiterste van de rechter rijbaan scheuren we naar beneden. De tunnels genereren de meeste adrenaline: het geluid van het aanstormend verkeer zou menigeen kippenvel kunnen bezorgen. De automobilisten wijken echter ruim uit - hoewel ze ons met stomme verbazing nakijken - en een beetje bijtrappend genieten we van deze uniek ervaring. Een groepje motorrijders komt langszij rijden en steken hun duimen op met een grote grimas op hun gezicht. De fietsstrook heeft een speciale afrit en van de snelweg af, is Biel ineens al heel dichtbij. uit de Jura, is het hier ook wat warmer en de zon heeft hier en daar al een gaatje geprikt in het wolkendek. het is fijn om weer in de bewoonde wereld te zijn, ondanks dat het rijden in een grote stad met een fiets vol bagage niet echt een succes is. Voordeel is wel dat een supermarkt op ons pad komt zonder dat er naar gezocht moet worden. Direct zijn we ook weer bekend met de schandalig hoge prijzen in de Zwitserse grote steden. Met Biel is daar ook het eindpunt van de route zoals deze in de boekjes zijn beschreven. We kunnen nu de goed aangegeven Zwitserse routes gaan volgens. Vanaf Biel zal dat nummer vijf, de Mittelladroute zijn, die we volgen totaan Lausanne aan het meer van Geneve. Met de boodschappen in huis is het tijd de camping op te zoeken. Wanneer je de hoofdstraat uitrijdt, kom je snel bij het water uit. Zie daar de boordjes van fietsroute vijf. De camping ligt wat verder dan we van te voren hadden gedacht en de paar bultjes langs het water vallen niet helemaal goed bij de benen. De camping maakt een hoop goed. Midden tussen de landerijen op een paar honderd meter van het blauwgroen gekleurde meer van Biel ligt een keurig onderhouden boerderij met een paar fruitgaarden eromheen. De eigenaar/beheerder blijkt een geemigreerde Fries die ons alleraardigst ontvangt en met verbazing ons verhaal aanhoort. Vrouwlief moet erbij komen om het ook te horen. We krijgen een prachtig plaatsje onder een appelboom temidden van nog wat andere fietsers. Het sanitair is goed verzorgd en als we te horen krijgen dat het morgen mooi weer gaat worden, kan onze dag niet meer stuk. Aan de andere kant van het meer liggen de ruige pieken van de Jura. In de rode avondgloed kleuren ze prachtig op. De wolken uit het westen worden door deze vriendelijke bergen (tot vandaag was ik een andere mening toegedaan) tegenhouden en als verkeersagent langs het gebergte naar het noorden gestuurd, zoals wij gisteren ookal ondervonden. Aan de oostkant van het gebergte strekt zich een fel fonkelene sterrenhemel uit boven onze hoofden. Ik leun tegen het hekje naast de tent met een cola in de hand en geniet van de Melkweg boven mijn hoofd. Met een schuin oog kijkend naar de Jura, wetende wat erachter ligt, overvalt me een haast arrogant voldaan gevoel. Het is niet voor niets geweest.
|