Morges
|
Morges
Afstand: 133 km
Hoogste punt: 503 m
Laagste punt: 336 m
Hoogtemeters: 706 m
Klimmen: 49 km
Vlak: 31 km
Dalen: 53 km
De weg is vlak en al babbelend hebben we er alweer aardig de sokken in. Zonder dat we het doorhebben, laten we de Bielersee achter ons. Hier slingeren we wat door de landerijen - je raadt het: graan, maïs en gras. Zo van het koude water af - de Bielersee wordt voorzien van koud smeltwater door een rivier - is het in het `binnenland' plots zeer warm. De zon bakt onze armen en benen rood.
Kilometers lang rijden we zo alsmaar rechtuit, waarbij het pad ook nog een stuk onverhard over puntige stenen gaat. De benen zijn het er niet altijd mee eens en ook de fiets kraakt bij sommige knipgaten van ellende. Wit gruis en stof waait op en blijft plakken op de fiets, de tassen en op onze bruingekleurde benen en plakkerige armen en gezichten.
Na een stevige korte afdaling en een kleine klim verschijnt in de verte daar waar we voor gekomen zijn: de Alpen! Het is een prachtig gezicht de ruige pieken langzaam op te zien doemen vanachter de heuvels, wetende maar niet beseffend, dat je hier helemaal heen bent gefietst en daarachter die pieken nog veel hogere liggen waar je overheen moet fietsen. Het bezorgt me een euforisch gevoel en ik voel me totaal zorgeloos en vrij.
Compleet verslag
Met een rustdag raak je compleet uit het ritme. Na een lange tijd van slapen, eten, fietsen, eten, slapen plotseling een dag niet, gaat je lichaam anders reageren. Je maag rommelt, je spieren doen wat zeer en je bent ontzettend lamlendig. Ondanks dat het fysiek noodzakelijk is even te rusten, zagen we er gisteren - hoe gek het ook klink - erg naar uit weer op de fiets te stappen. Reden om niet al te laat op te staan. Even voor half tien zijn de tassen volgepropt en kunnen we weer op pad. Het is ontspannen fietsen op de met bordjes aangegeven route. Mocht je de weg kwijt raken, kun je gewoon uitkijken naar fietsers in de buurt. Voor het eerst zien we ook meer vakantifietsers tussen de voornamelijk dagjesmensen en gezinnen met kleinere kinderen op de fiets. De route volgt helaas niet de iets hoger gelegen grotere weg, waardoor het uitzicht - dat ik gister bij m'n ritje naar de fietsenmaker wel had - over de Bielersee en het daarin gelegen schiereiland gemist wordt. De weg is vlak en al babbelend hebben we er alweer aardig de sokken in. Zonder dat we het doorhebben, laten we de Bielersee achter ons. Hier slingeren we wat door de landerijen - je raadt het: graan, mais en gras. Zo van het koude water af - de Bielersee wordt voorzien van koud smeltwater door een rivier - is het in het `binnenland' plots zeer war. de zon bakt onze armen en benen rood. Mijn neus moet het weer ontgelden en ik vreeds dat hij voor de zesde keer gaat vervellen. Als sinds zuid-Limburg hangen de vellen erbij. We blijven jammer genoeg wat van het meer af en de route wil zelfs nog wat meer tussen de boerderijen door rijden. Na een klimmetje naar vijfhonderd meter, waarbij het zweet ons in straaltjes langs het lijf stroomt, zijn we dit spuugzat en pakken een grotere weg op. In het dorp Portalban, zoals de meeste dorpen hier niet veel meer dan een kerktoren, een bakker, een slager en een handvol huisjes, ligt een kleine supermarkt langs de weg. Het is er binnen behoorlijk manouvreren tussen de smalle paadjes. Ik erger me aan een aantal toeristen die met hun vieze zwarte blote voeten door de supermarkt baggeren. Met een brood, yoghurt en een reep chocola loop ik naar de cassiere. Het is niet duidelijk of je hier nu Duits of Frans moet spreken, zo op (alweer een) taalgrens hoor je beide door elkaar. Met het tussendoortje achter de kiezen, kan het gas erop. We moeten nog ver, daar we elkaar weer zo gek hebben gemaakt `misschien' wel door te rijden naar het meer van Geneve, in plaats van aan het einde van het meer van Neuchatel een camping te gaan zoeken. Iets verderop verandert het asfalt in kasseien en onder een oude stadspoort door belandt je dan plotseling in een pittoresk drop met de prachtige naam Estavayer-le-lac. Het is op de flank van een heuvel gebouwd en tussen de smalle steegjes door kun je genieten van het uitzicht op het meer. Als je hier een foto tussen de huisjes door maakt met dit uitzicht heb je een volmaakt reisgidsplaatje. Ik vergeet het. De straatjes zijn hier smal en de - naar zo het lijk - oude stenen huisjes klein. Langs de kerk en een paar winkeltjes - het is hier meer toeristisch - slingeren we het dorpje uit. De kerktoren blijft nog een paar bochten lang zichtbaar boven de kruinen van de boompjes. De ochtend raakt op z'n einde en dus knorren de magen: zoeken naar een bankje. Een exemplaar midden op een kruispunt is snel afgekeurd en we besloten nog maar even verder te rijden. Plots zitten we op de grote weg naar Yverdon. Het is een lange rechte weg met een fietspad ernaast. Rechts bomen en links bomen. Hierdoor rijd je uit de wind en van het meer af is het in de volle zon reteheet. In de verte zie je de lucht boven het wegdek kringelen. Herinneringen aan de oversteek van de Povlakte vorig jaar op weg naar Bologna, waarbij drie dagen lang enkel kaarsrechte wegen afgejaagd werden in een alles verzengende hitte van veertig graden en fata morgana's aan de horizon, komen boven. `Tik, tik, tik' en het grote blad ligt erop. Met een gang van rond de dertig scheurt Maarten voor me uit over het rechte asfalt, hij lijkt de kilometers weer op te willen vreten. Erg interessant is het zo niet, maar de kilometers vliegen er mooi snel doorheen. Maarten heeft meer energie en rijdt het hele stuk op kop in de wind. Al gauw verschijnt Yverdon waar we voor het eerst en meteen ook voor het laatst het meer van Neuchatel van dichtbij zien. Bomen zijn hier gekapt om plaats te maken voor recreatievelden en met dit prachtige weer is het een komen en gaan van dagjesmensen. Met z'n allen liggen ze dan als kreeften te bakken in de zon. Van tijd tot tijd komt er een vlaag zonnebrandcremelucht voorbij. Onder een paar bomen staat `ons' bankje, goed voor de lunch. Af en toe komen er een paar fietsers voorbij, meest dagjesmensen, die dezelfde route rijden. Zo ook een man met een fletse witte huid en een wit met rode bolletjes gekleurd t-shirt. Op z'n race/hybridefiets met twee rode achtertasjes rijdt hij langzaam voorbij. Het lijkt of hij de bordjes kwijt is. Bij een zijweg staat de man met rossig rood haar en drinkt wat uit z'n enige bidon - met dit weer moet je toch zeker twee liter water bij je hebben - om vervolgens de juiste weg in te slaan. In Yverdon hebben grappenmakers een bordje verkeerd om gedraaid, zodat we in eerste instantie midden in de stad uitkomen. De GPS loodst ons snel de drukte uit en daar zijn de bordjes weer. De man met de bolletjestrui zit plots achter ons, blijkbaar was hij de weg ook weer kwijt. We zitten in het open veld van het dal aan een aantal gekanaliseerde rivertjes en volgen een klein stukje de snelweg. De man haakt nog even aan, maar gaat ons dan weer voorbij. Het is een mooi gezicht zo'n fietser alleen, langzaam voortschrijdend door de open velden. Een weggetje linksaf, een weggetje rechtsaf. Vanaf hier volgt een supersaai stuk, waarbij de route de spoorbaan naar Lausanne volgt. De frequent voorbij komende sneltreinen zijn de enigen die wat wind veroorzaken. Verder is het hier smoorheet tussen de akkers. Kilometers lang rijden we zo alsmaar rechtuit, waarbij het pad ook nog een stuk onverhard over puntige stenen gaat. De benen zijn het er niet altijd mee eens en ook de fiets kraakt bij sommige knipgaten van ellende. Wit gruis en stof waait op en blijft plakken op de fiets, de tassen en op onze bruingekleurde benen en plakkerige armen en gezichten. Eindelijk houdt het brede dal ermee op, liggen er een paar heuveltjes in het verschiet en kunnen we de spoorbaan achter ons laten. Onder een oud grote boom met een grote groene kruin puffen we even uit in de schaduw om het zweet te laten drogen en onszelf te hydrateren. Naast de boom staat een informatie. Vierhonderd jaar geleden lag hier een groots kanaal, waarvan nu nog maar enkele stukjes over zijn, van het meer van Geneve via de diverse meren naar Basel in het noorden. Het was de enige waterweg die ooit de Rhone en Rijn met elkaar heeft verbonden. Nederlanders en Zwitsers werkten samen om een binnenvaartse waterweg te creeeren van de Noordzee naar de Middellandse Zee. De Nederlanders wilden zo een veilige handelsverbinding aanleggen buiten vijandelijke Spaanse wateren om. Hoe het precies afliep, wordt me niet duidelijk uit het Frans, maar door de concurrentie van de stoomtrein raakte het kanaal in verval en nu is het al een eeuwigheid niet meer in gebruik. Om bij het meer van Geneve te komen moeten er nog een paar heuvels beklommen worden. We laten de zinderende akkervelden achter ons en slingeren tussen de groene weiden weer omhoog. Na een paar keer op en neer stoppen we nog even bij een supermarktje om wat drinken en een ijsje te halen. Na een stevige korte afdaling, waarbij Maarten z'n bandana verliest - hij kan hem nog net grijpen in de vlucht - een een kleine klim verschijnt in de verte daar waar we voor gekomen zijn: de Alpen! Het is een prachtig gezicht de ruige pieken langzaam op te zien doemen vanachter de heuvels, wetende maar niet beseffend, dat je hier helemaal heen bent gefietst en daarachter die pieken nog veel hogere liggen waar je overheen moet fietsen. Het bezorgt me een euforisch gevoel en ik voel me totaal zorgeloos en vrij. Plots komen we in de bossen en het gaat via onverharde paadjes flink naar beneden en af en toe nog scherp omhoog. Hier halen we de bolletjestrui ook weer in, hij kijkt wat verbaasd. Even haakt hij aan, maar gauw zijn we hem kwijt. Via een achterdeurtje komen we zo tussen Lausanne en Morges bij het meer van Geneve. We fietsen vier kilometer van de route af naar het westen, naar de camping in Morges aan het water, waar Daan en ik vorig jaar ookal verbleven op onze weg van Geneve naar Florence. Na de nodige boodschapjes in het dorp, krijgen we op de camping een prachtplaats, namelijk bij het sanitairgebouw aan de vrouwelijke zijde bij de ingang van de douches. Even worden we aangezien voor gluurders, maar wanneer onze tent staat, is het min of meer goed. Na een pikante Uncle Bench valt de avond snel. In het halfdonker probeer ik bij het licht van het gebouwtje nog wat aan m'n verslag te werken. Ik tuur met geknepen ogen naar het schrift waar in hanepoten de ervaringen van de laatse twee weken haastig staan neergepend. Mijn ogen prikken wat en ik wrijf erin. Na een half uur wordt de pijn echter zo erg dat ik het achteruitkijkspiegeltje van de fiets gebruik om te kijken wat er in m'n oog zit. Het is helemaal rood doorbloed en het oogwit is glazig en geel opgezet. Al gauw is m'n oog zo opgezet dat ik hem niet meer kan bewegen en ik hoofdpijn achter de oogkas krijgt. Maarten gruwelt ervan en draait zijn hoofd af. Even denk ik erover om naar het ziekenhuis te gaan, zo intens zijn de pijnscheuten. Ik kleed me maar aan, ga plat op het slaapmatje liggen en doe de ogen dicht in de hoop dat het vannacht af zal zakken. Morgen gaan we naar Martigny, mischien...
|