Morgex
|
Morgex
Afstand: 109 km
Hoogste punt: 2473 m
Laagste punt: 481 m
Hoogtemeters: 2525 m
Klimmen: 60 km
Vlak: 7 km
Dalen: 42 km
De blauwe lucht boven ons geeft hoop en uitgezwaaid door een clubje Nederlanders rijden we vol goede moed de pas tegemoet. Al direct na Martigny stijgt de weg flink, dat is even wennen na een paar dagen min of meer vlak jagen. De weg is hier breed en druk en prettig rijden is het niet. Continu kijk ik om me heen: waar precies zal de pas lopen? Diverse hoge bergen liggen naast elkaar en het is gissen tussen welke de weg zich door zal wurmen.
In de verte doemt de kam op waar ergens de top op moet liggen. De fietscomputer zakt terug naar zeven, zes, vijf en soms vier kilometer per uur, terwijl ik me hijgend en met krakende knien moeizaam door het maanlandschap ploeter. Haarspeldbocht voor haarspeldbocht moet ik stoppen om het zuur uit m'n benen te krijgen en ademhaling en hartslag te normaliseren.
Meer dan tweeduizend meter verliezen we en met een gang van vijftig tot zestig blijven we met een groepje auto's meerijden, als motorrijders overhangend in de bochten.
(...) maar even later komen we aan bij een keurige camping met uitzicht op het inmiddels opgedoemde Mont Blanc massief met zeer hoge ruige toppen, bedekt met gletsjers en deels gehuld in de wolken. De eerste col beviel niet echt en bij het opzetten van de tent schiet de kramp in m'n benen. Hoewel dit direct een van de zwaarste beklimmingen was, vrees ik toch voor de vele cols die nog zullen volgen.
Compleet verslag
wat heb ik een hekel aan wekkers. Thuis gebruik ik er nooit een, maar na een avond als gister hebben we het allebei wel nog. Extra voordeel van het mee eten is dat er geen keukengerei ingepakt hoeft te worden. Toch krijg ik al een behoorlijke hekel aan het hele inpakritueel. Met name aan het luchtbedje houd ik diepgewortelde haatgevoelens over. M'n luchtbedje bestaat uit zes buisjes, waarvan de een na buitenste lek is. Het slaapt voor geen meter meer. Ook Maarten lijkt er vandaag geen zin in te hebben: vol afschuw kijkt hij naar z'n aanhangertje en vraagt zich voor de zoveelste keer af of alles er wel in zal passen. Het lukt wederom en we zijn zelfs al iets voor negenen klaar voor vertrek. De overbodige franken dump ik bij de Nederlandse buren. Gert Jan is inmiddels ook klaar voor vertrek en zal ons deze ochten met z'n racefiets vergezellen. Of hij het haalt vraagt hij zich nog af. Driehonderd trainingskilometers en een kleinst verzet van 39/26 is natuurlijk ook niet ideaal. De blauwe lucht boven ons geeft hoop en uitgezwaaid door een clubje Nederlanders rijden we vol goede moed de pas tegemoet. Al direct na Martigny stijgt de weg flink, dat is even wennen na een paar dagen min of meer vlak jagen. De weg is hier breed en druk en prettig rijden is het niet. Continu kijk ik om me heen: waar precies zal de pas lopen? Diverse hoge bergen liggen naast elkaar en het is gissen tussen welke de weg zich door zal wurmen. Optimistisch en enthousiast over deze eerste echte pas rijden we stevig door, de eerste kilometers bestaan louter uit wat rechte stukken met relatief weinig hoogteverschil. Toch verdwijnt Martigny en de weg achter ons snel en even later dienen de eerste haarspeldbochten zich aan. Zo maak je snel hoogte! De stemming is goed en Gert Jan trapt lekker met ons mee. Wij rijden tien tot twaalf kilometer per uur, dus met een racefiets zonder bagage moet dat ook goed te doen zijn. We zijn begonnen op een hoogte van vierhonderdenvijftig meter en voordat we het weten zitten we al ruim boven de duizend meter. De zon brandt volop en het weet gutst uit elke porie. Met het water gaat het erg hard. In de verte verschijnt een tankstation - `de laatste van Zwitserland' verkondigt het bord - en dat komt goed uit om onze bidons bij te vullen. Bij het afstappen merk ik dat ik erg veel erngie heb verbruikt. De lange rechte stukken omhoog slopen je behoorlijk en daarbij komt dat er en straffe wind door het dal blaast, precies tegen onze rijrichting in. Wind tegen terwijl je aan het klimmen bent, heb ik nog zelden meegemaakt. In het kleine tankwinkeltje hoop ik daarom wat snickers verorbert en uit een kraantje tappen we water. Terwijl ik m'n laatste bidoen vol laat lopen voert de straffe wind vanover de top plots een ijzig koude, zwarte lucht aan. Even later zien we de eerste flits en horen een donder, een fractie later is de blauwe lucht verdwenen en hoost het werkelijk met bakken egelijk naar beneden. Wat is dit dan? Het weer in de bergen kan omslaan, en soms snel en onverwachts. We zijn blij dat we een schuilplek hebben, want de wind draait nog een paar keer en ervalt een grote hoeveelheid water. Daarnaast is het ineens superkoud, we staan te rillen als een paar rietjes naast de fietsen. Gert Jan trakteert op een bakkie kofie en daar knap ik een beetje van op. Zo plotseling als het ik gekomen, is het hele slechte weer ook weg. Blauwe lucht is er niet echt, maar het is gelukkig droog en we kunnen verder. Inmiddels komen we boven de boomgrens en bestaat de begroeing louter uit wat struiken en gras. Voor mij onverwacht, krijgen we een tunnelschacht die half open is, maar op sommige plekken ook dicht. Het rotding is zes kilometer lang en vies steil. We zien weinig tot niets van het landschap en het continue geluid van aanstormend verkeer is niet prettig rijden. Het verstand gaat op nul en de blik op oneindig, met een tandje erbij stampen we door de donkere tunnel. Ik rijd voorop met Gert Jan en Maarten hijgend in m'n wiel. Na een half uur staan we weer buiten bij de splitsing waar je kunt kiezen voor de tunnel of de col. Achterom kijkend zie je lang lint dat zich tegen de bergwand klamt, voor je zie je een smalle weg, steiler dan je zou wensen, kronkelend door het landschap van bruine en grijze rotsen. Slechts hier en daar groeit nog wat mos en gras. Het begint weer te druppelen en we schuilen even in het einde van de tunnel. Het is echt koud hierboven en we zitten nog maar op negentienhonderd meter, er moet dus nog ruim een halve kilometer hoogte gemaakt worden. Dat gaat niet makkelijk. Gert Jan rijdt vooruit en zijn we al snel kwijt. het gaat mij hier iets te veel omhoog en met een draai en m'n handvaten ga ik terug naar het lichtste verzet. In de verte doemt de kam op waar ergens de top op moet liggen. De fietscomputer zakt terug naar zeven, zes, vijf en soms vier kilometer per uur, terwijl ik me hijgend en met krakende knien moeizaam door het maanlandschap ploeter. Haarspeldbocht voor haarspeldbocht moet ik stoppen om het zuur uit m'n benen te krijgen en ademhaling en hartslag te normaliseren. Ondanks dat Maarten steeds iets vooruit rijdt, heeft hij er ook nog moeite mee. Het wordt steeds frisser en zodoende heb ik geen dorst. Hup, daar gaat de inhoud van twee bidons, dat scheelt al ruim een kilo. Na nog een paar keer zuurbijten en zelfs een kleine verkramping voor de top, is daar dan eindelijk het hoogste punt. Gert Jan staat ons al buiten op te wachten, hij heeft een half uur geduld moeten hebben. Inmiddels is het gaan regenen en raakt de top in dikke mist gehuld. Bizzerend van de kou schuilen we in het restaurantje en nuttigen een pasta bolognese in een klein donker eethoekje. Een warme maaltijd doet me goed, ondanks dat het weer pasta is. Het winkeltje vol kleine prullaria naast het eettentje voorziet in mijn behoefte naar een trofee: een sticker van de Grand San Bernardo! Na een foto in de vrieskou buiten bij het bordje waarbij het fototoestel vanwege het slechte weer dde flitser nodig heeft, nemen we afscheid van Gert Jan en badanken hem voor de gezelligheid. Minder gezellig is het aan de Italiaanse kant van de pas. Behalve dat het zo koud is dat we de beenstukken, windjacks en regenkleding aan moeten trekken, is het zo mistig dat we niet verder kunnen kijken dan twintig meter en derhalve de weg voor ons vrijwel onzichtbaar is. Met de wetenschap dat de weg hier tot vijftien procent kan afdalen met een flink aantal haarspeldbochten, dalen we stapvoets af, totdat we stuiten op een wegopbreking. Het verkeer wordt geregeld door in veiligheidshesjes gestoken Italianen met opa Flodder achtige seinbordjes. Voordeel is dat er een kleine verkeersopstopping ontstaat. De stoet auto's zet zich even later in beweging en we blijven dicht achter de laatste auto zitten zodat we de remlichten kunnen volgen. Het werkt perfect en al gauw zijn we onder de wolken uit. Voor ons ligt nog een diep dal. Meer dan tweeduizend meter verliezen we en met een gang van vijftig tot zestig blijven we met een groepje auto's meerijden, als motorrijders overhangend in de bochten. Een gropeje duitse motorrijders kan dit minder waarderen en proberen ons zenuwachtig slingerend voor te blijven, maar worden net als een paar auto's voor ons, gehinderd door een grote touringcar, die met gillende motor afdaalt. De grote bus gooit even later het rechter knipperlicht uit en laat de rij auto's passeren. Flink aanzettend volgen we de auto's en racen tegen de zeventig de bus voorbij, de toeristen staren ons met ogen als schoteltjes na vanachter de raampjes als ze deze twee fietsende fladderende reflectorhesjes voorbij zien racen, met erachter een heftig stuiterend aanhangerwagentje van Maarten. Geweldig. Al snel zijn we weer op zeshonderd meter en belanden gelijk in de chaos van het Italiaanse verkeer in Aosta. Aan deze kant van de hoofdkam van de Alpen is het dor en droog een de grauwe dorpjes van slechts onderhouden huizen met of leistenen of golfplaten daken brengen weinig vrolijkheid. Op de grote weg racen we voort - het gaat hier vals plat omhoog en de zure benen laten dat weten - terwijl de Fiat Panda's ons voorbij razen. Links en rechts liggen tegen de bergen aan vele ruines van wat eens machtige kastelen moeten zijn geweest. Vlak voor ons eindpunt ligt er gelukkig nog een supermarkt aan de weg. Maarten doet er even boodschappen terwijl ik door een tiental Italianen wordt omringd, aangegaapt en beroddeld. Vragen of je iets zeggen doen ze niet. In het dorpje Morgex wordt `onze' camping netjes aangegeven. Vanzelfsprekend moeten we een paadje in dat van de hoofdweg af omhoog leidt. Links en rechts liggende puinzooi en verlaten caravans doen ons vrezen voor het ergste, maar even later komen we aan bij een keurige camping met uitzicht op het inmiddels opgedoemde Mont Blanc massief met zeer hoge ruige toppen, bedekt met gletsjers en deels gehuld in de wolken. De eerste col beviel niet echt en bij het opzetten van de tent schiet de kramp in m'n benen. Hoewel dit direct een van de zwaarste beklimmingen was, vrees ik toch voor de vele cols die nog zullen volgen. We maken ons er niet teveel druk om, want direct na het eten en de afwas kruipen we ons mandje in. Morgen zitten we weer in Frankrijk. Af en toe lijkt het wel een meerlandentocht. Slopend is het sowieso.
|