Bourg d'Oisans
|
Bourg d'Oisans
Afstand: 95 km
Hoogste punt: 2644 m
Laagste punt: 579 m
Hoogtemeters: 3240 m
Klimmen: 37 km
Vlak: 4 km
Dalen: 66 km
Voor ons ligt een hoge groene helling. Vanaf beneden kun je gelukkig niet de krioelende weg boven je zien. Direct gaat de weg hard omhoog om vervolgens een salvo van haarspeldbochten op je af te vuren. Ondanks dat het erg zwaar is en de snelheid met moeite op acht gehouden kan worden, maken we snel veel hoogtemeters.
Op het pleintje bij de kerk gebruiken we de lunch en verzamelen moed om het tweede deel van deze koninginnerit van de vakantie, de beklimming van de Galibier, te gaan fietsen. Ik doe nog even een nieuwe pleister om mijn pijnlijke neus. Na alle zon van de laatste dagen is mijn neus zovaak en zover verveld, dat de huid pijnlijk rood is en vol met blaren zit. Het is geen gezicht met een pleister erop, maar het houdt de brandende zonnestralen tegen.
Langzaam kruipt de hoogtemeter richting de 2500 meter en worden de laatste en zwaarste kilometers naar de top zichtbaar. Het begint ook fris te worden en uit de mist die over de top is komen zetten, vallen regendruppels. Een auto met het bekende gele kenteken komt langszij. De vrouw aan de passagierszijde draait het raampje naar beneden en balt een vuist. `Kom op he, je bent er bijna!'
Compleet verslag
Een hele lekkere nacht was het niet. Met de Frejustunnel nabijj is Modane - ondanks dat de tunnel vanwege een brand een tijd terug nog gesloten is - een logistiek knooppunt en een paar honderd meter van de camping vind je een rangeerterrein met tig sporen naast elkaar. Midden in de nacht rijden de treinen nog af en aan, hevig toeterend bij het rangeren of wanneer de machinist daar zin in heeft. We zitten net zoals gisteren iets eerder dan de Duitsers op de fiets. Nieuwsgierig komt er toch eentje naar ons toe om te vragen waar we mee bezig zijn. Tien verbaasde blikken verder wensen we elkaar een goede reis en gaan verder. De groep Duitsers wil morgen ook de Alp d'Huez doen, dus misschien komen we ze nog tegen. Al na een paar kilometer lijkt het er op dat onze etappe hier zal stranden: Route Barree. De doorgaande weg naar St. Michel de Marienne, waar de voet van de Telegraphe ligt, is afgesloten en op de snelweg die hier begint mogen we niet fietsen, zo vermeldt een matrixbord ons. Niet dat wij dat hadden bedacht, maar dat de mededeling er met een reden staat, blijkt wanneer een groepje Italiaanse racefietsers al de oprit op zijn gereden voordat ze het het verbod lezen. Bij de afzetting van de gewone weg stoppen we om op de kaart te kijken. Direct komt daar een zwart busje van de Gendarmerie aangescheurd. Zo dicht bij Italie lijken de twee heren met kort kapsel, zonnebrillen op en kauwgom in de bakkus meer op de Caribinieri. Ze zijn echter zeer vriendelijk en vertellen ons zelfs in het Engels dat er aan de weg gewerkt wordt en er rotsblokken naar beneden kunnen vallen. Op eigen risico mag er gefietst worden, wat weer als een startschot klinkt voor de Italiaanse racefietsers die a la minute de afzetting omzeilen. Idioten. Geheel tegen onze zin in kiezen we voor de omleiding, die van de weg af met een `leuk' percentage en nog `leukere' haarspeldbochten naar een nietsbetekenend dorpje gaat waarvan je helemaal uit je dak gaat. In het achterhoofd het idee dat de Telegraphe en Galibier vandaag op de route liggen, is dit een ongewenste warming up. Na een scherpe afdaling rijdt het verder met vals plat naar beneden en na een klein stukje langs de snelweg komen we bij St. Michel de Maurienne. De kruizing midden in het dorp kan ik me nog herinneren van de televisie, alweer twee weken geleden. Iets minder hard dan het achtervolgende peloton rijden we via een bruggetje over de Arc en beginnen hiermee aan de klim. Voor ons ligt een hoge groene helling. Vanaf beneden kun je gelukkig niet de krioelende weg boven je zien. Direct gaat de weg hard omhoog om vervolgens een salvo van haarspeldbochten op je af te vuren. Ondanks dat het erg zwaar is en de snelheid met moeite op acht gehouden kan worden, maken we snel veel hoogtemeters. Bij haarspeldbochten kun je je richten op korte stukjes en hoef je enkel op te letten niet de binnenbocht te fietsen. Ik heb er een dwangmatige hobby van gemaakt de haarspeldbochten te tellen. Probleem is dat het enige waar ik tijdens het klimmen dan nog maar aan kan denken, het aantal haarspeldbochten is. In combinatie met de warmte, continu gehijg en de parelende zweetdruppels in m'n ogen, zorgt dat ervoor dat ik in mezelf begin te zingen: ne-gen haarspeldbochten, lalalalala, he, ne-gen haarspeldbochten, la-lalalalala en, tien haarspeldbochten, lalalalala, tien... enzovoort. En als je eenmaal begint krijg je zo'n rotdeuntje nooit meer uit je hoofd. Ter info: de Telegraphe heeft twintig van die krengen (en bij de Galibier volgen er nog een zooitje). De weg slingert voornamelijk door het bos en we kunnen continu in de schaduw rijden. Om de paar honderd meter stoppen we even om wat te drinken en een snickertje te eten. En zo zijn we sneller dan verwacht bijna bij de top. Zoals de beelden thuis al lieten zien, hebben fanatieke Tour supporters hier op het wegdek enkele tientallen keren NL gekalkt, samen met ongeveer alle namen van de Raboploeg. Boogerd, Dekker, Weenen en Rasmussen komen het meest voor. Toppunt van de kliederkunst van het woord RABOBANK dat over een paar meter is uitgesmeerd. In de voetsporen van de beroemde renners - in gedachten hoor ik de aanmoedigingen van de honderden toeschouwers aan de kant van de weg - trappen we soepeltjes het laatste stukje naar boven. De top van vijftienhonderd zoveel meter stelt niet veel voor en de hele klim was eerlijk gezegd niet erg zwaar. Na een fotoshoot bij het bordje door een behulpzame Franse dame stap ik het kleine toeristenkioskje binnen aan de kant van de weg, ze hebben geen stickers. Buiten staat Maarten te praten met een Duits echtpaar. Vol bewondering kijken ze naar z'n aanhanger en stellen een paar vragen. Het blijken zelf ook actieve vakantiefietsers te zijn. Na een kort gesprekje dalen we af naar het dorp Valloire, waar Maarten net op tijd de buurtsuper binnen kan stuiven voor wat lunchboodschappen. Achter hem gaan de deuren en de luiken dicht, net op tijd. Op het pleintje bij de kerk gebruiken we de lunch en verzamelen moed om het tweede deel van deze koninginnerit van de vakantie, de beklimming van de Galibier, te gaan fietsen. Ik doe nog even een nieuwe pleister om mijn pijnlijke neus. Na alle zon van de laatste dagen is mijn neus zovaak en zover verveld, dat de huid pijnlijk rood is en vol met blaren zit. Het is geen gezicht met een pleister erop, maar het houdt de brandende zonnestralen tegen. Uit het dorp gaat het even goed omhoog, maar al snel vlakt de klim af tot een gemene vier a vijf procent. Het landschap vergrijst tot een verzameling puinwaaiers en hoge pieken. Voor ons ligt een lange weg omhoog die zich na elke bocht weer verder lijkt te strekken. In het zonnetje is het heet klimmen, enkel een straffe tegenwind brengt koelte - en wanneer je stilstaat kou doordat de kleding klam is van het zweet. Tergend langzaam rollen we voort naar het einde van het dal: het heeft iets weg van het stukje na Val d'Isere. Ook hier komen aan het einde van het dal de bergen bijeen en maakt de weg zich rechtsom gekeerd om je direct met hoge percentages om de oren de slaan. We kruipen hoger tegen de puinwaaiers aan en laten het beetje bruingroene gras en mos dat er nog groeide, achter ons. Wederom klimt het met de haarspeldbochten een stuk makkelijker en eigenlijk zelfs zonder teveel inspanning te leveren, gaat het snel naar boven. Twee dames met hun afgeragd autootje hebben er meer moeite mee, het ding staat met open motorkap stomend langs de kant. Het is gaaf om in de voetsporen van de grote renners hier te fietsen en in gedachten zie ik de beelden van de Tour weer voor me. Tweeentwintig haarspeldbochten, lalalalala. De gedachten stompen langzaam af wanneer we het dal uitgeklommen zijn en in de verte iets hoogs zien verrijzen dat gezien de vele mieren die erop staan, de top moet zijn. Met een ruime slinger draaien we om een restaurant heen dat hier in alle eenzaamheid staat. Hoewel: het terras zit vol mensen en een groepje rustende racefietsers draaien hun verbaasde gezichten een dikke honderdtachtig graden met ons mee. Ik steek een hand op en glimlach, maar erg snel gaat het niet meer. Langzaam kruipt de hoogtemeter richting de 2500 meter en worden de laatste en zwaarste kilometers naar de top zichtbaar. Het begint ook fris te worden en uit de mist die over de top is komen zetten, vallen regendruppels. Een auto met het bekende gele kenteken komt langszij. De vrouw aan de passagierszijde draait het raampje naar beneden en balt een vuist. `Kom op he, je bent er bijna!' Het schept moed en er gaat een versnelling bij. Wat ik echter voor me zie boezemt nog meer angst in dan de televisie beelden van kruipende profrenners mij reeds haden gedaan. De weg is hier in de rotswand uitgehakt, de verschillende stukjes liggen dicht op elkaar. Het ondergekalkte asfalt gaat met tien tot vijftien procent omhoog en met de afgrond zonder vangrial naast je is het een link stukje. Tijdens het klimmen is het me al opgevallen dat er nauwelijks andere fietsers naar boven zwoegen. Dure racefietsen die keihard naar beneden jakkeren zijn echter talrijk. Twee kilometer voor de top is nog een souvenirswinkeltje, goed voor een stickertje. Op het kale parkeerplaatsje voltrekt zich de onthulling van het mysterie. Een busje stopt en er stappen een aantal jongens in fietskleding uit. De racefietsen gaan uit de achterkant en lachend fietsen de kereltjes naar boven. WATJES! M'n bloed begint te koken en met half verzuurde benen klamp ik bij een zo'n mannetje aan. Hij knikt nog vriendelijk. Ik vraag hem of hij beneden is gestart. `Je ne comprends pas.' `Beneden, bij de Telegraph' `Non, ici' Ik maak een afkeurend gebaar. `You have to start below, this is not the way' Mijn aanzien ten opzichte van racefietsers is flink gedaald. We concentreren ons maar op het laatste knetterzware stukje. Hijgend maar zeer voldaan bereiken we de top. Achter ons ligt een indrukwekkend schouwspel van haarspeldbochten met op de achtergrond een ruim scala aan naar de hemel wijzende bergtoppen die lijdzaam de erosie ondergaan. Op de top is het redelijk fris en de tassen gaan gauw open voor alle extra kleding. Een aantal toeristen staan ons wat meewarig aan te staren. Een Nederlands stel met een zoon van acht a negen jaar kan hun nieuwsgierigheid niet bedwingen en loopt op ons af. Vaak zijn mensen wel verrast als we ons verhaal doen, maar nu staan er drie mensen met open mond voor ons te luisteren. Met name de jongen is dolenthousiast en blijft maar doorvragen. Na de foto bij het bordje en een korte blik over de rand naar het af te dalen traject, klikken we weer vast in de pedalen en schakelen op van het lichtste naar het allerzwaarste verzet. Het eerste stukje is niet zo land als het leek op de televisie, maar zo zonder vangrail twaalf procent naar beneden, met grind in de scherpe haarspeldbochten en gevaarlijke knikken in de rechte stukken, blijft het oppassen. Een tussen onze fietsen - twintig meter afstand, zestig kilometer per uur - overstekende marmot - het zijn net opgeblazen cavia's - verhoogt de pret. In een van de laatste gevaarlijke bochten stoppen we. De kort op elkaar volgende stukjes asfalt liggen achter ons en het gaat hier met wat langere stukken naar beneden. De Nederlanders halen ons in met hun auto en we rijden er gauw achteraan. Op deze manier kun je prachtig afdalen: de kont achterop het zadel, hoofd tussen het triathlonstuur en met verkrampte handen scheuren we in de slipstream van de auto naar beneden. Afgaande op de remlichten kunnen we perfect zien waar de gevaarlijke stukken zitten zodat de bochten optimaal aangesneden kunnen worden. Voor we het weten staan we op de `top' van de Lautaret: deze krijgen we cadeau. Zoals ik eigenlijk al in de Jura had bedacht, gaan we hier dus aan de verkeerde kan naar beneden. De weg is breed en drukker. Geleidelijk aan dalen we af en met een gangetje van veertig a vijftig komt La Grave snel nabij. In dit dorpje heb je een prachtig uitzicht over de Glacier de Mont-de-Lans en Glacier de Girose die zich vanaf giganten van bijna vierduizend meter traag naar beneden laten glijden. Het dorp zelf stelt niet zoveel voor en we hebben geen zin om hier drie nachten te gaan staan: we rijden wel door Bourg d'Oisans. Via een smalle kloof, wat tunnels en een stuwmeer loopt de weg geleidelijk naar de Gorges d'Inferet. Hier blijkt de rivier plots verdwenen, totdat je driehonderd meter beneden je kijkt: heel ver weg stroomt wild koud water dat zich op spectaculaire wijze door het massief heeft weten te wringen. Nadeel is dat we een paar kilometer met zeven procent afdalen. Bourg d'Oisans ligt op het niveau van de la Romanche en het grootste deel van het gehucht ligt aan de andere kant van de brug: zo ook de knettervolle supermarkt, waar Maarten na een half uur uitkomt. De Nederlanders van de Galibier zijn dan net weer weg, de jongen kwam zonet aanstuiven: ze hebben in de afdaling door de achterruit foto's van ons gemaakt! Na de uitwisseling van e-mailadressen en informatie over de caming, gaan we een plaatsje voor de nacht zoeken. Onderaan de voet van de Alp d'Huez liggen drie campings. Ze zijn alledrie nodig, want pas bij de laatste weten we op een achteraf veldje een plaatsje te bemachtigen. Hoewel het sanitair nou niet bepaald geweldig is, ben ik allang blij met een plekje. Bovendien hebben we direct uitzicht op de eerste kilometer van de Alp d'Huez aan de ene kant (wanneer kampper je hier nu?) en steile wanden aan de andere kant, waarbij oude grondlagen in W-plooien prachtig bloot zijn komen te liggen. Met de tweede rustdag in het vooruitzicht na wederom een zeer enerverende etappe, gaan we met een voldaan gevoel naar bed. `Maarten?' `Ja?' `We zijn knettergek' `Hoezo, dat weten we toch?' `Welterusten' `Welterusten'
|