Modane
|
Modane
Afstand: 106 km
Hoogste punt: 2776 m
Laagste punt: 764 m
Hoogtemeters: 2280 m
Klimmen: 51 km
Vlak: 6 km
Dalen: 49 km
De eerste tien kilometer gaan wat licht op en neer tot een hoogte van negenhonderd meter. Hier dienen zich de eerste haarspeldbochten aan en met de wtenschap dat er nog tot 2770 meter geklommen moet worden, doen we rustig aan. Het eerste stuk is vies steil en het gaat niet snel naar boven. Wat opvalt is dat de racefietsers hier niet veel sneller gaan. Na een paar flink steile stukken waarbij we tussen de bomen enkele glimpen opvangen van het dal, de kleine Sint Bernard en Bourg St. Maurice in de verte, halen we zelfs een Franse wielrenner in.
Een paar kilometer zwoegen over de smalle weg die tegen de rotswand aangeklemd lijkt - rechts gapen soms diepe afgronden je tegemoet - en een paar haarspeldbochten verder, zijn we weer ter hoogte van Val d'Isere. Het uitzicht over het dal is prachtig. Grijze rotswanden met ruige pieken omringen ons, begroeid met wat gras en mos en veelvuldig doorklieft met smalle gevaarlijke wandelpaadjes waar pietepeuterige kleine mensen over sjokken. Het dorp ligt vijfhonderd meter onder ons en erachter kunnen we nog een glimp opvangen van de groene Isere vallei en de vage contouren van de bergwanden waar ergens de kleine Sint Bernard moet liggen.
Het versmalde dal vormt een trechter, nee windtunnel, voor de Mistral. Het gaat hier maar tot twee procent naar beneden. Flauwe bocht naar links, waterversnellinkje aan de linkerhand, wat scherpere bocht naar rechts om een rotspartij heen, en wham, de wind blaast je bijna van de fiets. Het gaat weer een stukje rechtuit, dan een flauwe bocht naar links, daar is het waterstroompje weer, enzovoort. Het lijkt alsof ze een videoband twintig keer afspelen en behalve chagrijnig wordt ik ook compleet gesloopt door deze wind.
Compleet verslag
De Duitsers staan ons wat vreemd aan te kijken als we aan het inpakken zijn. Ze praten met elkaar, wijzen wat en langzaam lijken ze elkaar wijs te maken dat die twee idioten daadweerkelijk met bagage fietsen. Over het inpakken van alle spullen doen wij minder lang dan de tijd die zij nodig hebben om zich om te kleden. Een paar verbaasde gezichten achterlatend, rijden we langs het camperkamp en koersen richting de supermarkt. Het is teringdruk bij de Super U op de maandagmorgen en menig Frans autootje scheurt over de parkeerplaats om een plaatse zo dicht mogelijk bij de ingang te verkrijgen. Een wat oudere man in een krakkemikkig Peugeotje heeft het beter begrepen. Hij trekt zich niets aan van de parkeervakken, maar zet z'n auto voor de betonnen paaltjes bij de ingang neer om vervolgens op z'n gemakje uit te stappen, twee brieven te posten in de gele bus die aan een van de steunpilaren is gehangen en daarna quasi nonchalant een rondje te lopen om onze fietsen. Maarten komt terug met twee armen vol boodschappen, maar belangrijker: met een fles whisky. Een boreel voor het slapen gaan na gedane inspanningen, smaakt heerlijk. Voor de zoveelste keer lukt het om alles in de tassen te krijgen en kunnen we aan de klim beginnen. De eerste tien kilometer gaan wat licht op en neer tot een hoogte van negenhonderd meter. Hier dienen zich de eerste haarspeldbochten aan en met de wtenschap dat er nog tot 2762 meter geklommen moet worden, doen we rustig aan. Het eerste stuk is vies steil en het gaat niet snel naar boven. Wat opvalt is dat de racefietsers hier niet veel sneller gaan. Na een paar flink steile stukken waarbij we tussen de bomen enkele glimpen opvangen van het dal, de kleine Sint Bernard en Bourg St. Maurice in de verte, halen we zelfs een Franse wielrenner in. Het is een beetje zijn eer te na en klampt bij ons aan. In ons beste Frnas babbelen we wat aan. De man fietst, zoals vele wielrenners hier, la Route des Grandes Alpes. Als hij hoort wat wij hebben gedaan, tikt hij op zo'n voorhoofd. Als hij even later onze plannen hoort om, aangezien we drie dagen voor op schema lopen, na de Galibier, de Lautaret aan de `verkeerde' kant af te dalen om de Alp d'Huez te beklimmen - met als gevolg dat de Lautaret weer terug beklommen moet worden om de route op te pakken - wordt het de kale Fransman in z'n kanariegele fietskleding te gortig en probeert aan te klampen bij een passerend groepje racefietsers. We krijgen een stuk dat wat vlakker is zodoende kan het zweet drogen en kunnen we iets meer van de omgeving genieten. Min of meer ongemerkt zijn we het Parc National de la Vanoise binnengefietst dat in dit dal wordt gekenmerkt door joekels van bergen die aan onze kanten geflankeerd zijn door diepgroene naaldbossen. In het midden van het dal heeft het hier nog kleine bergriviertje een kloof gesleten. Diep onder ons zien we glimpen van het watertje dat, getuigende de vele grindbanken, in de lente behoorlijk krachtiger kan zijn. A la France is echter ook dit riviertje ingedamd en zie daar: een stuwmeer. Langs het meer dalen we wat af. Rechts zien we nog net een hoge bergtop met wat sneeuw, voordat we een paar tunnels induiken. Na de tunnels, waaraan niet geheel onterecht gewerkt wordt, ligt het dorp Val d'Iseren: `s winters een bruisende plaats met een dik pak sneeuw en vol mooie dames en te bruine skileraren met foute zonnebrillen op, nu in de zomer een grauw dorp met enkel donkerbruine huizen en dure hotels die flets afsteken tegen de steenvlakten, enkel begroeid met wat gras en mos, die `s winters de pistes vormen. Desalniettemin zijn er nog aardig wat toeristenwinkeltjes op en zijn er evenzoveel, zelfs wat meer, keuvelende toeristen. En ja, de ietswat oenig kijkende Nederlandse vaders en moeders met hun twee kinderen zijn er weer makkelijk uit te halen. Op een speciaal daarvoor bedoeld pleintje parkeren we onze fietsen tussen de Ducati's van een stel Italianen die zoals vele landgenoten de Alpenpassen rijden. In de zon is het warm, maar met het windje erbij is het op deze hoogte al redelijk fris. We werken een stokbrood naar binnen, samen met de net gekochte flesjes fris in de schandalig te dure tankwinkel in dit decadente dorp, en steken een paar granny mueslirepen in de achterzakken van de fietsshirts. Het is tijd om aan de tweede helft van de klim te beginnen. Met wat veredeld vals plat rijden we het dorp uit en twee rotondes verder liggen de grauwe hotels en te dure winkeltjes achter ons hebben dit verruild voor een lange min of meer rechte weg door het dal, dat zijn einde vindt op de grens met Italie. Links en rechts verheffen zich hogte rotswanden en ver voor en boven ons is zelfs wat sneeuw te zien. Eigenlijk heb ik liever haarspeldbochten, want deze weg, vijf tot zes procent omhoog, schiet niet op. Het kost bakken energie om vooruit te komen, maar echt hoogte maken doe je niet. Onze gebeden worder verhoord, want na een paar kilometer is daar het einde van het dal. De weg steekt via een stenen bruggetje het bijna drooggevallen riviertje over, om na een bocht van honderdtachtig graden steil omhoog tegen de bergwand op te klimmen, met zo'n zeven tot twaalf procent. In weze fietsen we weer terug naar Val d'Isere. Het dorp ligt nu weer voor ons, maar met het klimwerkt zakt het heel snel ver de diepte in. Een paar kilomter zwoegen over de smalle weg die tegen de rotswand aangeklemd lijkt - rechts gapen soms diepe afgronden je tegemoet, en een paar haarspeldbochten verder, zijn we weer ter hoogte van Val d'Isere. Het uitzicht over het dal is prachtig. Grijze rotswanden met ruige pieken omringen ons, begroeid met wat gras en mos en veelvuldig doorklieft met smalle gevaarlijke wandelpaadjes waar pietepeuterige kleine mensen over sjokken. Het dorp ligt vijfhonderd meter onder ons en erachter kunnen we nog een glimp opvangen van de groene Isere vallei en de vage contouren van de bergwanden waar ergens de kleine Sint Bernard moet liggen. Met een nieuw blikje haarspeldbochten laten we dit prachtige uitzicht achter ons. Het is nog maar een paar honderd hoogtemeters klimmen. Boven de 2500 meter wordt alles kaal en hierboven is het niet echt warm. Frequent stoppend om uit te puffen en wat te drinken zien we de top nabij komen. Een haarspeldbocht onder me zie ik een racefietser nabij komen. Hij zal me niet meer inhalen! Zo hoog ben ik nog niet met de fiets geweest, 2762 meter. De ruigheid en leegte van de top in combinatie met de kou en de hoogst verbaasde starende blikken van toeristen en fietsers naar onze volbepakte fietsen - je ziet ze denken of en hoe we met de fiets boven zijn gekomen - geeft me een buitengewoon euforisch gevoel. Wanneer de achterop komende racefietser is uitgehijgd vraag ik hem of hij een foto van ons wil maken. Verdere navraag leert dat hij in twee en een half uur uit Bourg St. Maurice boven is gekomen; mijn teller geeft vier uur en acht minuten aan. De jongen glimlacht. Er is weinig meer op de top dan een vlakte met auto's en versufd om zich heen kijkende toeristen, een vervallen kerkje of huisje gebouwd van naar beneden gerolde rotsen en een piepklein souvenirswinkeltje waar je je zijdelings in moet wurmen. Mijn stickerjacht eindigt in een desillusie. Een of andere Franse malloot heeft bedacht dat het wapen voor deze schitterende pas een naziachtige oerlelijke adelaar moet zijn. Ik koop het kleinste stickertje mogelijk en vind een verborgen plekje achter m'n bidon op het frame. Met de beenstukken en lange mouwen weer aan kunnen we afdalen. Direct duiken we over de rand en na een korte blik over het diepe dal benee scheuren we de hoogtemeters aan flarden. Over de groene flank van de berg hebben de Fransen hier een steile weg aangelegd, de afdaling bestaat uit een paar stukken rechte weg en een handvol zeer scherpe haarspeldbochten. De gletsjers die we even in de verte konden vernemen, verdwijnen snel. Het asfalt is niet erg best en in de rechte stukken zitten soms knikken in de weg, waarbij het zicht op het tegenverkeer je wordt ontnomen. Het is een machtig gevoel hier tegen de zeventig naar beneden te rollen, de handen verkrampt aan het stuur, hevig geconcentreerd op het asfalt - knipgaten komen veelvuldig voor, en met het volle gewicht overhangend in de chicanes en haarspeldbochten. Een aantal Vinokoerovs die met piepende remmen en roodgloeiende velgen naar beneden rollen, racen we in een fractie voorbij. Binnen no time staan we in het dal en kijken terug omhoog naar de enorme groene berg achter ons. Het is hier warm en de extra kleding kan uit. Nu de meeste hoogte is verloren, gaat de weg hier door het redelijk brede dal, licht naar beneden en moeten we helaas weer bijtrappen. Ik had me ingesteld op zestig kilometer afdalen maar nu de Mistral plots met flinke kracht door het dal recht in onze murf begint te blazen, moeten we stevig doortrappen om vooruit te komen. Ik dacht bovenop de top mijn prestatie te hebben geleverd en mopperend beginnen de benen te verzuren. Na Lanslevillard, waar via de Col du Mont Cenis nog afgeslagen kan worden naar Italie, wordt de weg smaller en rijden we wat meer in de bossen, slingerend langs de l Arc. Het versmalde dal vormt een trechter, nee windtunnel, voor de Mistral. Het gaat hier maar tot twee procent naar beneden. Flauwe bocht naar links, waterversnellinkje aan de linkerhand, wat scherpere bocht naar rechts om een rotspartij heen, en wham, de wind blaast je bijna van de fiets. Het gaat weer een stukje rechtuit, dan een flauwe bocht naar links, daar is het waterstroompje weer, enzovoort. Het lijkt alsof ze een videoband twintig keer afspelen en behalve chagrijnig wordt ik ook compleet gesloopt door deze wind. Voor de prachtige kloof waarlangs we even later rijden - het riviertje verdwijnt diep beneden ons - en het mooie slot dat op de rand hiervan is gebouwd, heb ik geen oog meer. Precies op tijd krijgen we aanmoediging van een groepje racefietsers. Het zijn de Duitsers van de camping! Ietswat verbijsterd maar met de duim omhoog halen ze ons in, we zijn ze mooi voor gebleven. Eindelijk krijgen we nu ook een steiler stuk naar beneden om af te dalen naar het niveau van de rivier. Een plotselinge harde rukwind doet ons bijna van de fiets vallen. Het lijkt welhaast rijden op de dijk naar Hindeloopen aan het einde van de rijwiel Elfstedentocht. Modane is een grauw dorp en via wat kleine weggetjes komen we bij de camping Municipal. De receptie die meer wegheeft van een groot uitgevallen bouwkeet, doet ons aanvankelijk griezelen, maar het valt mee. Voor een paar rotcenten mogen we zelf een plekje uitzoeken. De Duitsers hebben hier hun camperkamp weer opgezet en moeten lachen als we aan komen rijden. Zin in koken hebben we geenzins en dus gaan we lekker uit eten bij de receptie. De beheerder maakt een grote portie patat, wat aangebrande hamburgers en een paar worsten voor ons klaar. Met een koud blikje cola erbij laten we het ons goed smaken in de keet, buiten waait het nog zo hard dat de patat je geheid om de oren zou vliegen. Naast ons zitten een vader en zoon aan tafel, ook Nederlanders. Ze wandelen hier in de omgeving door de bergen. Knap, ik zou het echt niet kunnen. Behalve dat het loodzwaar is en langzaam gaat, krijg je een mooi uitzicht daargelaten, weinig beloning voor het klimwerk: afdalen is wandelend misschien nog wel het zwaarst. Op de televisie krijgen we het sportnieuws van de omgeving voorgeschoteld: kajakken, kanoen, klimmen; je kunt hier in deze ruige omgeving prachtig sporten en zo extreem als je zelf wilt. Na een cornetto als toetje houden we het voor gezien en gaan ons lekker douchen. Boven ons zijn de eerste sterren zichtbaar en even later hebben we een prachtig fonkelende sterrenhemel boven ons. Jammer dat we die niet mee naar huis kunnen nemen.
|