De ochtend gloort, zonnestralen vallen vanover de bergrug bij kleine bundeltjes tussen de bomen door op de verzameling tentjes. Geen getreuzel, het is weer tijd om een serieuze col te beklimmen. De strakblauwe lucht boven ons getuigt dat het een mooie, maar hete dag zal gaan worden. met alle spullen geladen, moet er eerst nog even bij de supermarkt gestopt worden voor de boodschappen. De rotonde tegenover de parkeerplaats is opgeluisterd met een paar metershoge racefietsen: stille getuigen dat de Tour hier kort geleden langs is geweest. Voor de renners waren de Alpen slechts twee daagjes uit voordat de afmattende strijd in de Pyreneeen begon, voor ons ligt de situatie iets anders. Na een half uur aangegaapt te zijn door Fransen en toeristen, komt Maarten weer naar buiten. Met moeite krijg ik het stokbrood in m'n tas gepropt. Het eerste deel van de tocht loopt niet al te vlekkeloos, daar de GPS ons via een afsnijroute wil leiden. We stranden in een paar smalle doodlopende weggetjes in een pietepeuterig dorpje van vervallen huisjes. In een steegje draaien we om, nagestaard door een tweetal meewarig knikkende oude mannetjes. De grote weg rijdt een stuk beter. Het oude fort hoog boven de stad is de laatste bebouwing, erachter is er enkel eenzaamheid. Na een gemeen eerste stukje, loopt de weg rustig door een volgend groen dal van naaldbossen, grote grijs/beige rotsen een een kabbelend bergstroompje. Slechts gestaag gaan de hoogtemeters voorbij en het is lekker doorfietsen. De D902 loopt zo min of meer rechtuit, tot aan Cervieres, waar we een bocht van negentig graden maken. Met heel veel geluk is er in de winter meer leven, maar nu lijkt het dorp compleet dood. Het zou me niet verbazen als de helft van het dorp verlaten is, niet meer dan een verzameling van vijf straatjes bouwvallige huizen, met halfverroeste golfplaten daken. Volgens de kaart moet een localite d'interet touristique zijn getuige het rode lijntje onder de plaatsnaam. Echter is driekwart van de kaart rood gekleurd. Het dal wordt hier smaller en de rotswanden steiler. Rechts klautert een groepje klimmers langs de roestbruine wand omhoog. Zo vol in de zon moeten ze het bloedheet hebben. Voor ons verheft zich de Beaudonis, aan de noordkant geflankeert door naaldbossen. We klimmen weer aardig en ook de racefietsers hebben het zwaar. Hoewel, de veelal Italiaanse fietsers hebben een lichter frame, geen bagage en het hijgend paard voor ons heeft zelfs een volgautos met twee onvervalste Italiaanse schones aan boord. Had ik ook leuk gevonden. Na een paar kilometer begint het haarspeldbochtenfestijn opnieuw en kan er serieus hoogte gemaakt worden. Kilometers lang draaien en keren we met een slakkengang door het verbazend groene bos, tussen de bomen door hebben we mooie doorkijkjes over het dal achter ons, doorklieft met slingerend zwart asfalt. Het valt op hoe weinig toeristen hier zijn, weinig auto's kiezen ervoor de hoge col te nemen in plaats van de grote weg door het dal meer naar het westen. Ik vermoed dat ook deze col weinig functionaliteit heeft, maar enkel uit prestige in opdracht van Napoleon is aangelegd. Daar waar zijn broer in ons lang voor lange rechte wegen koos, is het hier vooral slingeren, zeer steil slingeren. Een groepje mensen die op een

bankje langs de weg picknicken, moedigen ons aan met handgeklap en franse leuzen. Diverse slingers later bereiken we de boomgrens, met ruim 2000 meter erg hoog in dit dal. Boven is de top te ontwaren. We rijden door wat gras en mosweiden en passeren en paar haarspeldbochten later een van de Refuges Napoleon. Het gebouwtje is sinds de overnachting van Napo onaangeroerd gebleven gezien de staat en dient als trekpleister voor de toeristen. Er is een klein parkeerplaatsje en en terrasje. Langs de weg groeit weinig meer dan wat mos en gras, en valk onder de top is het enkel nog rots en puin. On de col d'Izoard is weinig leven. Tegenover de enorme pilaar met daarop de hoogte vermeld, probeert een marktkoopman nog wat fruit van de hand te doen, met name de abrikozen en perziken zijn populair. Deze col is een ware scheidingslijn. Daar waar achter ons een prachtig naaldbos ligt, is het aan de zuidkant van de cl dor en droog. De Fransen noemen het `la Casse Deserte' en de zanderige puinwaaiers en rotsformaties hebben inderdaad iets woestijnachtigs. De afdaling is zeer link: de smalle weg - zonder vangrail uiteraard - gaat langs diepe afgronden en lijkt tegen de berg geplakt. We dalen af door een bizar landschap van grijs gruis en grote verticale beige puntige rotsen die als vingers naar de hemel lijkten te wijzen, onderbroken door een enkele naaldboom. Bij een van de afgronden is een monument gewijd aan Fausto Coppi en Louison Bobet, die hier op de flanken van deze reus schitterden in de strijd om succes. De Tour is hier al jaren niet meer langs geweest en dat is een grote schande. Regelmatig worden er bloemen bij het monument gelgd, want het bosje rozen is nog vers. De afdaling gaat hard naar beneden met korte steile stukjes, krappe bochten en zeer slecht asfalt. Ik voel me de koning te rijk en heb het idee op de maan te fietsen, Apeldoorn lijkt nu zo ver weg. Na deze berghelling, vlakt de afdaling af en komen we in een dal tercht, waarmee we tevens het Parc National Regional du Queyras betreden. naar het dorpje La Chalp gaat het asfalt, dat hier gelukkig weer goed is, recht vooruit, maar nog steeds met zeven a acht procent naar beneden. Met de wind erbij strak in de rug, voel ik me vooruit geblazen worden. Zonder iets te doen verschiet mijn fietscomputer over de veertig, vijftig en zestig. Ik ga achterop het zadel zitten, knieen bij elkaar, handen bij de rem en het hoofd op het stuur. De weg blijft maar rechtdoor lopen en met de kleding flapperend in de wind gaat het naar de zevenig. In de spiegel zie ik Maarten, vlak achter me, tevens in tijdrijhouding. Z'n aanhanger volgt gedwee. Plots maakt de weg een extra knik naar beneden en gaat het ongeveer tien procent omlaag. Met open ogen zie ik de teller de tachtig voorbij schieten. Wanneer deze zelfs richting de negentig wil kruipen, vind ik het genoeg. Voor ons doemen wat huisjes op en m'n hart gaat flink tekeer. Ik kijk nog even omlaag en zie het asfalt voorbij flitsen, de tassen rammelen als een gek tegen de lowrider. Het kost tweehonderd meter om te stoppen. Maarten en ik kijken elkaar aan en kunnen even niets uitbrengen. We laten de adrenaline wegstromen, om daarna iets rustiger verder af te dalen. De teller geeft als maximumsnelheid 85,4. Ik hoop dit nooit meer te verbreken. We volgen het bergstroompje dat hier door het smalle dal dendert. Dit is lekker afdalen. Zoeven naar links, flauw bochtje om, dan weer naar rechts. Soms verdwijnt het felblauwe stroompje in de diepte, om even later weer als trouwe metgezel naast ons te stromen. Grote rotsblokken liggen talrijk in de rivier en veroorzaken prachtige stroomversnellingen. Een groepje mensen staat tot de knieen in het wilde water. Aan de boot te zien gaan ze hier raften. Gaaf. Door deze Combe du Queyras, waar links en rechts nog grote reuzen liggen, vliegen de kilometers voorbij. Al gauw verschijnt beneden in het dal Guillestre. Ook hier is de supermarkt snel gevonden en we gaan gauw in de schaduw staan, het is hier in de zon bloedheet. De koelte van de supermarkt is erg aangenaam. Ik ben altijd in m'n nopjes als ik met een mandje in de hand tussen de schappen loop. Vanavond heb ik zin in een aardappelschotel. De vriezers liggen vol met deze kant en klare maaltijden. Stukje kip erbij, toetje, wat fris en iets te knabbelen en we zijn klaar. Buiten schiet Maarten een Nederlander aan om te vragen waar hier een goede camping in de buurt is. De goede man legt ons de route er naartoe uit en twee kleine kilometers trappen later komen we aan bij een middelgrote, nette camping, mooi gelegen aan de rivier en verscholen tussen de bomen. We worden zowaar met een `goedendag' begroet en de Nederlandse beheerster geeft ons een extreem grote plek waar je wel twee caravans op kwijt kunt, voor nog geen tien euro. Er staan hier veel Nederlanders, zo getuigen de De Waard tenten en ze groeten ons met half verbaasde blikken. Als eerste gaat het grondzeil van de kar om in de schadus eens lekker uitgebreid te lunchen - het is inmiddels bijna vier uur en we hebben de Izoard enkel op wat reepjes en water beklommen. Na een paar broodjes, heb ik zin al het zweet, zout en vuil van me af te spoelen. Maarten is zo vriendelijke de tent op te zetten terwijl ik geniet van een werkelijk heerlijke douche. Dat is lang geleden en onder deze ruime straal van zachte, hete waterdruppels overkomt me een gevoel van extase. Het is ongelooflijk hoezeer je kunt genieten van dergelijke eenvoudige luexe. Ik knap er van op. Toch beginnen de colletjes aardag aan de benen te knagen en veel puf heb ik niet om te koken voor het avondeten. De gezonde tegenzin slaat plots om in een bijna niet te onderdrukken neiging tot overgeven wanneer ik de zak openmaak: in plaats van een smakelijke aardappelschotel met groente en vlees, walmt mij de geur van garnalen en witte vis tegemoet. Maarten geniet ervan, maar ik zit het tegen heug en meug weg te eten. Bah! Na een uurtje uitbuiken en laveloos voor ons uitstaren - de buurjongens vragen of we mee willen voetballen, maar daar hebben we geen energie meer voor. Ik zou trouwens niet meer weten met wat voor schoeisel ik dat moet doen! - verzamel ik de moed om af te wassen. De overbuurvrouw is goed voor een praatje en het is erg lekker om eens je verhaal te kunnen vertellen: na drie weken is de gespreksstof met z'n tweetjes aardig gedaald. Inmiddels is het donker geworden. Ik blaas het luchtbedje op en geniet tot laat in de avond van de sterrenhemel. Sirius waakt over ons.