Om acht uur gaat die klotewekker weer. Ik druk mijn handen op de oren terwijl Maarten haastig in z'n stuurtas graait om het rotding uit te slaan. We hebben allebei geen zin en draaien ons nog een keer om. Half negen knaagt het geweten: de zon brandt op de tent en het is nog ver fietsen naar Jausiers, met onderweg col de Vars. Toch zit er totaal geen vaart in en pas tegen half elf zitten we op de fiets en dan moeten er ook nog boodschappen gedaan worden. Maarten gaat even naar binnen en ik houd de wacht. Het is altijd druk bij een Franse supermarkt en het is een komen en gaan van mensen. Twee meter van me af zit een ouder mannetje op een bankje met z'n armen over elkaar wat in zichzelf te mompelen. Gezien z'n kritische blikken naar onze fietsen geeft hij commentaar, maar ik versta er niets van. Even later komt er een klein meisje naast hem zitten, haar moeder is binnen boodschappen doen. Het mannetje begint gelijk tegen haar te kletsen en al gauw tettersen de Franse woorden om m'n oren. Ik vestig m'n aandacht maar even op de reclameposter naast hen. Champion laat duidelijk weten sponsor te zijn van de Tour. Op de poster staat een (gelukkig?) Frans gezinnetje luid schreeuwend en met de armen in de lucht een wielrenner in de Champion bolletjestrui aan te moedigen. Bij de uitgang komt een dunne ourdere damen met rood haar naar buiten. Vlak voor de duer blijft ze met de winkelwagen staan en op `t gemakje telt ze het bonnetje tot drie keer na. Ze schud het hoofd, zucht een keer en frommelt het bonnetje in haar zak. `Die verdomde euro', je hoort het haar bijna zeggen terwijl ze met een huppeldrafje wegloopt. De zon brandt op m'n huid als we pas om half twaalf Guillestre uitrijden. Het gaat hier

gelijk steil omhoog en het zweet parelt ons bij straaltjes langs hoofd en ledematen. Een uncium is geschied: allebei hebben we vandaag totaal geen zin in fietsen. Voor het eerst heeft ook Maarten moeite met het klimmen en fiets ik hele stukken voorop. Ik klapper met m'n oren wanner Maarten vraagt om even te stoppen bij een inhammetje. Het is bloedheet en er staat weinig wind. Fietsen op het heetst van de dag is niet erg slim. Zwijgend staan we naast elkaar in het dorre gras van de berm. In de verre verte schittert een gletscher, onder de pieken ligt Guillestre beneden in het dal, je ziet de hitte er bijna uit opstijgen. Het landschap begint op elkaar te lijken. De tijd strijkt langzaam voorbij. Na ruim een kwartier zucht ik een keer. `Zullen we maar weer?' `Ja, het moet maar. Anders komen we er niet.' `Precies, toe dan maar' En hijgend ploegen we voort in de warmte. Het is geen bijzondere col. We tuffen voorbij een mooie kloof met bijbehorende fraaie uitzichten, maar daarna is het moeilijk geinteresseerd te blijven. Stoicijns dalen we een klein stukje naar het grauwe Vars, met uitgestorven hotels en lelijke appartenmenten. Weinig bloemen en veel beton. De knieen gaan op en neer, mijn bovenbenen zijn al bijna zwart. Een groepje jongeren kijkt ons ongeinteresseerd na en dan ligt het dorp achter ons. De laatste kilometers zijn lieflijk en fietsen we ontspannen door grashellingen en langs stille watertjes. Enige teken van leven is de refuge Napoleon aan een groter meertje met in de verte reeds de top, de herbergjes lijken allemaa

l uit dezelfde fabriek te komen en de authenciteit valt te betwijfelen. De toeristen vermaken zich in elk geval prima in het warme zonnetje op het terras. Ondanks zijn hoogte van goed 2100 meter is de Col de Vars niet meer dan het hoogste punt op de route van Guillestre naar Barcelonette. Dat neemt niet weg dat een foto bij het bordje een leuk souvenir is en de vrouwelijke beheerder van het wegrestaurant - uitgestorven - kan me voorzien van een mooie sticker. Een bordje `tien procent' waarschuwt voor een gevaarlijke afdaling. Twee Italiaanse racefietsers poseren breed glimlachend: ze zijn tien keer talrijker dan de Franse wielrenners, die over het algemeen ook langzamer fietsen. Siesta houden op deze tijdstippen gaat hen beter af. De afdaling door het weids en uitgestrekte dal is niet bijzonder gevaarlijk, wel steil. Deze kan van de col is duidelijk mooier dan de andere kant, ruime haarspeldbochten slingeren door dit desolaat gebied van zand, gras en rots. Bij het dorpje St. Paul houden de haarspeldbochten op en slaan we rechtsaf richting Barcelonette. Linksaf loopt de D25, die in dit dal de grillen van het riviertje de l'Ubaye volgt, dood bij het dorp Maurien, tussen enkele drieduizenders. Vanaf daar lopen slechts een paar `trails' de bergen in naar Italie. In dit grensgebied is in de afgelopen eeuwen veel gevochten tussen Fransen, Italianen en kleine volkeren die al lang geleden zijn ingelijfd of uitgemoord. Al vaker op de route zagen we ruines van kastelen en forten, maar na de afslag naar de Colle della Maddalena, ligt het grootse Fort de Tournoux. Bovenop de bergwand is een groot complex gebouwd, echter nog slechts een klein deel van het fort, dat grotendeels in de berg is uitgehouwen. De berg lijkt door de vele schietgaten geperforeerd. Niemand die hier ongezien langskomt. M'n gedachten dwalen af naar barre oorlogen lang geleden, met grootse helden, heroische daden en bloederige gevechten. Waarom zou je hier trouwens willen vechten? Er is hier niets, er woont hier vrijwel neimand, of misschien niet meer. Ik word wakker geschud door een groot wit bord langs de kant van de weg. Nice staat erop en het is onze eerste confrontatie met het einddoel. Vlak achter het bord ligt het pietepeuterige dorpje Jausiers. Een van de eerste huizen is een rechthoekig gebouw opgetrokken uit aan elkaar gemetselde keien en stenen. `Camping' vermeldt een afgebladderd bord aan de muur. De ramen en deuren zitten dicht. Maarten trekt het voor hem typerende bedenkelijke gezicht. Naast het huis ligt een paadje en we fietsen maar achterom. Het binnenhofje dat hier ligt doet een stuk leuker aan en de luiken zijn aan deze kant open, in het midden is een deuropening. Vol goede moed stap ik in het donker naar binnen, het is hier lekker koel. Aan het einde van de smalle gang staat een klein tafeltje en erachter zit een vrouwtje in een wijde roze jurk. `Bonjour' Met handen en voeten maken we elkaar duidelijk wat we willen en voor tien euro krijgen we een klein plaatsje aan de rand van het veld. De camping is niet meer dan een ruim veld met een paar bomen. Toch staan er redelijk wat toeristen, vrijwel alleen maar Fransen. Het is weer heel anders dan de volle camping van gisteren, maar het bevalt me wel zo tussen de bergen in de natuur nabij dit stille dorpje, dat slechts een straat kent. Maar zoals madame al zei heeft het alles: een kerk, marktpleintje met postkantoor en pharmacie, een restaurantje, ernaast een boulangerie. Twee toeristenkioskjes verder vinden we in een klein zijstraatje, meer een steegje, een nog kleiner buurtsupertje. Voorzien van water, eten en drinken fietsen we door dit pittoreske straatje met smalle hoge vrolijk gekleurde huisjes met afzichtelijk afstekende lichtblauwe en mintgroene luiken en bloemetjes voor de ramen terug naar ons campinkje. We hebben inmiddels buren gekregen: een Amerikaans stel dat drie maanden door `yurp' aan het fietsen is. Na een kort gesprekje sluiten ze zich af. Jammer. Na een douche in het kleine sanitairgebouwtje dat van binnen meer iets weg heeft van een prive badkamertje en toilet, een een groot bor rijs - de Amerikaanse fronst haar wenkbrauwen - buien we tevreden uit. Vandaag had ik totaal geen zin in fietsen, maar nu ik hier zo weer het voor tentje zit onder de schitterende sterrenhemel en in de verte de kerktoren twaalf hoor slaan, geniet ik weer volop. Ook Maarten heeft zijn zin terug gewonnen en we kijken ernaar uit morgen het hoogste punt van de vakantie te bereiken. Een ding weet ik wel: we gaan er vroeger uit!