Sint. Etienne de Tinee is een klein dorpje. Via een smal steegje komen we op het verscholen dorpspleintje uit, temidden van 19e eeuwse 3 etage hoge huizen, die rondom dit centrum zijn gebouwd. De marie, gendarmerie, boulangerie, pharmacie en het buurtsupertje zijn hier gevestigd. De huizen zijn grijs en grauw, maar de felgekleurde luiken en rijkelijk met geurende bloemen versierde balkonnen sieren het dorp op. Op het kleine plein staan een vijftal kraampjes met fruit naast een vervallen fontein, dat bruinachtig water uit een nepkraan spettert. Een voorbijkomende racefietser heeft er weinig moeite mee, vult z'n bidon en zet het direct aan z'n lippen om gulzig van het water te drinken. Ik gruwel. Maarten houdt de fietsen in de gaten. Ik loop langs een groepje dorpsoudsten die in het centrum van deze metropool de laatste roddels doornemen. Ze aanschouwen me met een schuin oog en kijken priemend naar Maarten en onze uitrusting. In het buurtsupertje is het muf en vochtig. De ruimte is klein en ik loopt voorzichtig tussen de krakkemikkige schappen door. Wasmiddel, chloor, wat overrijp fruit, erwten in blik, het is weer een vreemde verzameling producten bij elkaar. Met een schreeuwend duur potje jam, wat chocopasta, brood en water loop ik naar buiten. De ongeschoren mannen met opgehoopt vuil op hun bruine met zwarte haren begroeide huid vinden Maarten en mij wel erg interessant en we lopen maar gauw weg van het pleintje om in alle rust onze bidons te kunnen vullen. Om de hoek staat een monument voor de slachtoffers van de eerste wereldoorlog. De namen van de dappere dorpshelden zijn in de muur gebeiteld en hun doodsstrijd wordt uitgebeeld door een paar grimmige soldaten met van pijn vertrokken gezichten die zijn uitgehouwen in een stuk natuursteen. Nog steeds worden er bloemen bij het monument gelegd. Aan de overkant van de straat houdt een politieagent het verkeer nauw in de gaten. Met de armen over elkaar speurt hij de straat

af op zoek naar kleine vergrijpen. Hij kijkt ons even wantrouwend aan als we onze fietsen voor het monument neerzetten. Ik verkreukel de lege waterflessen netjes tot een kleine prop plastic - reclying is in Frankrijk nog steeds geen gemeengoed - en gooi het in de prullenbak. We gaan gauw verder. Twee straten verder kunnen we de hoofdweg oppakken. Zoals de Nederlandse fietser ons gisteravond vertelde, gaat het eerste stukje omhoog aan de westkant van de rivier en klimmen we een stukje de bergwand op: linksonder ligt het dal. In een grote bocht ligt de afslag naar Isola, een bergdorpje een paar kilometer van de rivier af. Wij volgen echter de grote weg en dalen met twee grote slingers af terug naar de rivier. De rest van het Tineedal is het ontspannen afdalen. De weg kent weinig bochten. Langs hoge rotswanden met de brandende zon hoog boven onze hoofden dalen we af. De wind waait door m'n haren. Ik lig met de ellebogen op het triathlonstuur en geniet van het asfalt voor me en de omgeving om ons heen. De grond wordt langzaam droger en verkleurt van zwartgrijs naar een soort van roestbruin. De begroeiing verandert. Nog steeds zijn de dalen hier overheersend groen, maar de kleur groen is anders. Er zijn minder bomen - de bomen die er staan zijn grilliger - en meer struiken. Na de Gorges de Valabres zitten we alweer onder de vierhonderd meter. Het kleine dorp St Sauveur-sur-Tinee verkeert in volkomen rust, er loopt geen mens op straat. Het is slechts een verzameling schamele onderkomens, maar de huisjes stralen rust en vrede uit en met hun natuurlijke kleur en mooi oranje daken waan je je eerder in een Latijns Amerikaans plaatsje dan in Zuid-Frankrijk. We schuilen onder een paar bomen tegen de zon en nuttigen een fruitreep, de magen knorren alweer. Verscholen achter een paar struiken ligt een bouwval. De vier muren van het gebouwtje staan nog overeind, maar het dak met scheve dakpannen ligt er kwetsbaar bij. Via een klein stenen trapje kun je bij de ingang komen, dat gek genoeg vlak onder het dak lijkt te liggen. Ik vraag me af of dit nu een schuurtje is of een echt huis. Na het dorp daalt de weg verder af richting de Middellandse Zee. We zouden deze weg kunnen blijven volgen tot aan Nice, maar verkiezen (natuurlijk) de moeilijke route door de bergen, over de Col St. Martin, Col de Turini en de Col de Castillon naar Menton, vlakbij de Italiaanse grens aan de Middellandse Zee. Plots staat er langs de kant van de weg een bord. We kunnen linksaf slaan naar St. Martin de Vesubie, ons einddoel voor vandaag. Het was heerlijk om eens een dag te beginnen met een afdaling en de scherpe haarspeldbocht links van de weg die steil omhoog het dal uitkruipt, lokt mij totaal niet. Fietsen is soms afzien en dus schakelen we terug. Na twee zware haarspeldbochten druipt het zweet me in kleine stroompjes van hoofd en ledematen. De zon prikt op onze doorbakken huid. Twee fanatieke racefietsers halen ons in. `Allee!' Ze roepen nog iets in het Frans in de geest van `dat kan toch wel sneller?' Ja, dat kan wel, maar na ik weet niet hoeveel bergetappes vind ik het welletjes. Voor ons verschijnt een donker tunneltje, in de rotsen uitgehouwen. Er klinkt druk gekwetter uit het donker en bij het flafond wordt gefladderd. Wanneer ik de tunnel binnen rijd, komt er plots uit het niets een schreeuwende vleermuis recht om me afgevlogen. Het beestje koerst op m'n gezicht af en nog net zie ik dat z'n bek wijd opengesperd is. Ik duik met m'n hoofd omlaag en het kreng scheert vlak over mij heen. Ik schakel snel op en race door het tunneltje, achter en boven hoor ik krijsende geluiden. Maarten moet er om grinniken, ik vind het minder leuk. Grote felgekleurde vlinders fladderen voor onze fietsen langs en met ons mee en op de weg schieten kleine sprinkhanen links en rechts over het asfalt. Het is muisstil in dit dal. Maarten en ik zeggen elkaar weinig en zwijgend zwoegen we door dit hete ve

rlaten dal. De benen voelen aan als pap en de magen klagen vandaag snel, ik heb trek. In een haarspeldbocht stoppen we en lunchen op een stenen muurtje langs de weg. Achter het muurtje ligt beneden een kleurige bloementuin van een van de weinige bewoners van dit dal. De klim zelf valt best mee, het zal ongeveer 6 tot 7 procent zijn. Elke kilometer staat er langs de kant van de weg een bordje met de resterende afstand tot de top en een indicatie van de klim over de komende kilometer. Al gauw verschijnt tussen de bomen door het dorpje Valdeblore: een kerktoren temidden van een aantal bouwvallige huisjes. De straatjes stralen een onbestemde sfeer uit: ik vraag me af of de epicerie met z'n afgebladderde groene luiken nog enige specerijen heeft verkocht de laatste maanden. De dorpjes hier lijken in een Doornroosje achtige roes te verkeren. Als je al een mens tegenkomt, gedragen ze zich alsof ze betrapt zijn en lopen haastig voorbij of schieten een huis in. De tijd lijkt stil te hebben gestaan en sommige huisjes zijn volgens mij in de Middeleeuwen gebouwd. Achter de kerktoren ligt een benzinepomp met garage aan de weg: gesloten. De sleepwagen met daarop een kapotte auto is doorwoekerd met onkruid en gras. Een paar haarspeldbochten onder de top komen we nog twee andere fietsers tegen. Een man en vrouw worstelen met hun fiets en je hoort de knieen bijna kraken. De laatste kilometer vanaf la Colmiane naar de top is een makkie, maar de kilometer die daarvoor ligt gaat nog gemeen steil omhoog. De top stelt niets voor. Het is een grote parkeerplaats, met een paar winkeltjes en een gesloten kabelbaan. In de winter zal het hier drukker zijn. De afdaling naar St. Martin de Vesubie is echter spectaculair en prachtig. Ver beneden ligt het oranje gekleurde dorp, door het centrum stroomt een helder riviertje. Na een steile en snelle afdaling met een dozijn haarspeldbochten, komen we in het kleine centrum terecht. Tegenover het dorpsplein ligt een Casino-supermarkt. Klein maar fijn, het winkeltje is van alles voorzien. De camping zoeken blijkt niet al te makkelijk. Zelfs een voorbijganger kan het me niet duidelijk vertellen. We fietsen iets terug en steken de rivier over. Een klein bordje `camping' wijst ons een naar een zijweg omhoog tegen een bergwand op. Het gaat lekker omhoog en tussen de bomen door zien we het dorp alweer onder ons verdwijnen. Waar zou hier in vredesnaam een camping kunnen liggen? Na ruim een kilometer staat er een huisje aan de kant van de weg: receptie. Haha, tuurlijk. Maarten en ik moeten lachen. We rijden hier op een weg strak tegen een bergwand aan. Waar is die camping dan? Als we over de vangrail kijken, krijgen we antwoord: beneden. De camping is opgedeeld in kleine terrasjes die gewoon tegen de berg aan zijn aangelegd, smalle strookjes gras met fruitbomen. Twee grote honden slaan aan en tonen ons hun scherpe witte tanden. Uit de kleine stenen receptie komt een ouder vrouwtje gelopen. We mogen voor een nacht blijven en kunnen een plaatsje uitzoeken. Die vinden we twee etages lager, hetgeen inhoudt dat we alle losse tassen, de fietsen en de aanhanger over een uiterst smal en gevaarlijk steil trappetje naar beneden moeten sjouwen. Na vier keer op en neer lopen is alles weer compleet. We hoeven niet bang te zijn voor diefstal. Tussen de fruitbomen door hebben we een werkelijk prachtig uitzicht over St Martin de Vesubie en het dal la Vesubie dat ons morgen verder naar het zuiden zal voeren. Na het eten klauter ik een etage lager naar het kleine sanitairgebouw. Er zijn twee douches en er staan drie mensen voor me te wachten. `Lekker gefietst vandaag?' vraagt een vrouwtje me in het Frans. `Oui, aux Pays Bas' Twee grote ogen staren me aan. `Deux mille kilometres' zeg ik en wijs met m'n hand naar het noorden. De vrouw vraagt of het een wedstrijd is. Als ik zeg dat we dit voor ons plezier in de vakantie doen, schudt ze lachend haar hoofd. Eindelijk ben ik aan de beurt. Ik krijg met geen mogelijkheid het douchemuntje in het stomme kastje. Na veel geram en gepeuter zit het muntje voor de helft klemvast in de gleuf. Ik vraag aan een wachtende vrouw of ze me wil helpen. Na wat gepier is het muntje er weer uit. `Dit is het muntje voor de douches boven bij de receptie' zegt ze. `Maar wacht maar, ik ruil het wel even voor je om' Het volgende muntje past, alleen klinkt er geen klik en krijg ik alleen maar koud water. Een wachtende man weet me te vertellen dat deze douche kapot is. Lekker dan, had hij dat niet eerder kunnen zeggen? Bij de receptie krijg ik een nieuw muntje en ik kan boven douchen. Maarten heeft wat last van vermoeidheid en voordat alle sterren zichtbaar zijn, liggen we al in de tent. Dit is wel een van de allermooiste, of in ieder geval grappigste campings die ik ooit bezocht heb. Uit het dal ontstijgen flarden muziek, er is kermis in het dorp.