Nice
|
Nice
Afstand: 77 km
Hoogste punt: 696 m
Laagste punt: 2 m
Hoogtemeters: 1101 m
Klimmen: 28 km
Vlak: 10 km
Dalen: 39 km
Het is stikdonker. In het flauwe schijnsel dat vanaf Maartens kant de tent in valt, zie ik zijn silhouet. Maarten zit rechtop en met een hamer in z'n rechterhand. Eerder vannacht hoorde ik al geritsel in de struiken achter onze tent bij de fietsen. Toen ik een brul gaf, hoorden we iemand wegrennen. Maarten kan er niet meer van slapen en bij het volgende geluid spurt hij met een zaklamp en een hamer struikelend de tent uit. Even later komt hij terug. Niets. We maken k  leine hazeslaapjes en staan maar niet te laat op. Wat een rotnacht. We lunchen net als de laatste dagen op een bankje onder de bomen in het centrumpje van het dorp aan de rivier. Een oude stenen brug over de bijna drooggevallen rivier leidt naar de stadspoort waarop eenzaam een Franse vlag wappert, als ingang naar het oudste gedeelte van het dorp, waar de kleurige huisjes dicht op elkaar zijn gebouwd en met de smalle steegjes een waar labyrinth vormen. De roze, gele, oranje en groene huisjes met scheve bruine dakpannen daken verdringen zich om een plaatsje bij het water. De balkonnen staan vol met tuinstoelen, parasols, bloemen en prullaria. Het is een bonte verzameling. Naast ons priemen twee donkere ogen. Een dikke vieze man zit met z'n armen over zijn dikke pens onderuit gezakt op een bankje. Aan zijn blik te zien hadden we de man toestemming moeten vragen hier te mogen zitten. Elke voorbijganger stopt even, maakt met hem een praatje en schudt z'n hand. Het gedrocht lijkt zich heel wat te voelen en moet niets hebben van die twee rare snuiters die met hun fietsen en vreemde aanhanger het trottoir bezetten en op het bankje uitgebreid ontbijten. Het zal me echter een worst wezen wat deze zoveelste dorpsgek van ons vindt. Ik verdenk er sommige Fransozen in het achterland van werkelijk zo naief te zijn dat ze niet eens weten dat er nog een wereld is buiten de Franse grenzen, laat staan dat ze weten wat een andere taal is. Voor hen moeten wij haast wel aliens zijn, gevallen uit de lucht. Althans: zo kijkt een groot deel van provinciaal Frankrijk wel naar ons. Col de Castillon is de enige heuvel die ons nog scheidt  van de `bewoonde wereld'. Vol adrenaline en ongeduld de Middellandse Zee te zien, racen we de laatste col van de vakantie op. Tussen Sospel en de top van de col zit een luizige 350 meter hoogteverschil en zwaar hijgend en puffend, de knieen krakend in een veel te zwaar verzet, vliegen de hoogtemeters er doorheen. Al gauw is Sospel niet meer zichtbaar. In de hitte racen we bocht na bocht omhoog en schroeven we het tempo steeds iets op. Het laatste stuk rijden we continu 15 kilometer per uur. Waar blijft die zee? Zonder te stoppen arriveren we in een recordtijd bij het bordje `Col de Castillon. Alt: 706m' De weg loopt niet over het hoogste punt van de berg en na een bocht naar links volgt een klein tunneltje naar de andere kant van de helling. Met het hart in de keel en vol van emoties rijden we door het donker. In het licht kijken we naar rechts en door een hekwerk is in de verte de zee te ontdekken! Maarten en ik stoppen direct, zetten de fiets aan de kant en geven elkaar een hand. Euforie viert hoogtij. Het is een prachtig gezicht, maar meer nog een geweldig gevoel, over de Middellandse Zee uit te kijken, wetende wat er achter je ligt en wat er voor nodig is om hier te komen. Gauw pak ik het statief om een triomferende foto van ons te maken terwijl we door het hek wijzen naar het water in de verte, het zal op de foto waarschijnlijk nauwelijks zichtbaar zijn. De afdaling is heerlijk en het voelt als een zegetocht om leunend op het triathlonstuur met een gangetje van 50 de zeewind door de haren te voelen waaien. Met weemoed kijk ik naar de hoogtemeter. 500, 400, 300, 200, we duiken zelfs onder de 100 meter. Dat is lang niet gebeurd. Voor we het weten of zelfs maar kunnen beseffen staan w  e aan een druk boulevard dertig meter van het water af, met voor ons honderden in zonnebrandcreme badende luie toeristen. Een man in zwembroek gaapt ons droogjes aan wanneer Maarten en ik nog een keer elkaar de hand schudden en onszelf feliciteren. Wat een plotseling overgang! Hotels, restaurants, honderden toeristen, auto's, lawaai, het komt allemaal op ons af. Na al die dagen in eenzaamheid is het even wennen. Het is hier beneden ontzettend heet en tegen de veertig graden brandt de zon op onze verblonde hoofden. De rust en armoede van de provincie maakt plaats voor druk claxonerende cabriolets, protserige hotelgebouwen en dure jachten op het azurblauwe water. We slingeren tussen het verkeer door en rijden de grote weg langs het water af richting Monaco. Cap Martin dat tussen Menton in Monaco in ligt, is een decadent schiereiland volgebouwd met kasten van villa's en lange oprijlanen met hoge hekken ervoor. Plots ontwaar ik in de verte door de trillende lucht en uitlaatgassen een verzameling van dicht op elkaar gepropte hoge flatgebouwen. Terwijl de flank van de achterliggende berg nog ongeschonden en groen is, is er in de baai geen onbenut stukje grond meer te bekennen. Daar ligt Monaco. Nog nooit slaagde ik erin een compleet land in een foto te vangen.

Het verkeer intensiveert en even later duiken we de chaos van de stad in. Wegen krioelen tussen de flats door. Afrit erbij, afrit eraf, tunneltje in, tunneltje uit. `Je mag hier 90 Maarten. Mogen we hier wel rijden?' Niemand haalt ons van de weg en als even later op een rotonde in een tunnel een politie-auto ons voorbij rijdt, kijken ze enkel verbaasd naar Maartens aanhanger. Via het drukke winkelcentrum komen we bij de haven uit, nabij de start/stop van de Formule 1, waar de startplaatsen nog op het asfalt gekalkt staan. We bewonderen de tientallen grote dure jachten die hier voor anker liggen. Ik kijk om me heen en trek dezelfde conclusie als Maarten: het is hier veel te druk om met de fietsen en alle bagage rond te rijden en foto's te maken. Dat komt morgen wel. Om eerlijk te zijn overvalt de plotselinge drukte me en verlang ik naar de rust van een camping. Een paar straten verder steken we de grens weer over en direct al neemt het verkeer drastisch af. Na een paar kilometer slaan we af naar het dorpje Eze, dat een paar honderd meter boven de zee ligt. Elke haarspeldbocht is mij er nu eentje te veel en in deze hitte is het niet lekker fietsen, ik drijf op mijn zadel en het zweet loopt me zelfs van de handen af. De zee is alweer ver beneden ons. Eze is een leuk dorp met een oude kerk, veel restaurantjes en er heerst een gezellige sfeer. Ik zou er zo willen blijven, als ik niet razend werd van woede omdat de camping er niet is. In tegenstelling tot wat hun website thuis deed suggereren, sturen bordjes naar de camping ons vrolijk het dorp weer uit, verder de berg op. De hoogtemeter is alweer boven de 400 meter als ik opkijk naar boven en van binnen ontplof. Vóór ons stijgt het asfalt met duizelingwekkende snelheid - ik schat 18 tot 20 procent. Zelfs in het lichtste verzet, waarbij ik de trappers twee rond moet draaien om het wiel één keer rond te krijgen, ga ik nauwelijks nog vooruit. Een groepje jongetjes staan met hun gezicht tegen het gaas van hun tennisbaan gedrukt. Ze lachen en wijzen naar me. Mijn Frans is slecht, maar dat ze mij belachelijk maken, staat als een paal boven water.
Maarten haalt wat koel drinken - koude cola kan toch wel zo lekker smaken als je eenmaal lauw gewend bent - en in de schaduw puffen we even uit.
|