Skåbu - Beitostølen
Afstand: 80 km
Hoogste punt: 1206 meter
Hoogtemeters: 1240
|
Oppland - Jotunheimvegen

 God, wat slaapt een normaal bed lekker! We vinden het wel best met vroeg opstaan, dan maar wat later op de camping. En zo zitten we rond negenen aan het ontbijt. Lekker binnen, aan een tafel, op een stoel. Sommige simpele dingen leer je gigantisch waarderen op fietsvakantie. Je hebt altijd wel van die zogenaamde `echte' gekken die zweren bij zo'n opvouwbaar stoeltje, matje of weet ik wat en zeggen een gewone stoel niet te missen, maar ik mis dat wel. Ik ben de eerste klant in de supermarkt, gevestigd aan de doorgaande weg waar 90% van de huizen van dit 600 zielen tellende hoogste permanent bewoonde dorp van Noorwegen - als ik de eigenaar moet geloven - aan ligt. Zo steil als we gister Skåbu inklommen, zo steil dalen we het aan de andere kant uit. Voor we het weten zijn we door het bos zo'n 300 meter afgedaald en staan we aan het begin van de Jotunheimvegen, waar het asfalt overgaat in split. Meteen vliegen de percentages ons om de oren en klimmen we, nog wat onwennig op deze ondergrond, langzaam naar boven door het bos. 700, 800, 900 meter.  Het is een aardige aanslag op de benen om zo vroeg in de etappe in enkele kilometers zoveel te klimmen, zeker na de enerverende dag van gister. `BOM' staat er op het bordje. Oftewel `tol'. Naast de weg staat een klein houten kot in de berm. Ik zet de fiets neer en neem polshoogte. Er zit niemand in het hokje. Op een plank ligt een dik pak papier, een pen hangt met een koordje aan de muur. Het is een afscheurblok met giro's. Op het blok moet je je naam invullen en de giro afscheuren waarna je de tol binnen 14 dagen moet voldoen. Wat een systeem! Fietsers staan er niet op het bordje met tarieven, dus we kunnen gratis doorfietsen. We komen boven de boomgrens en de klim vlakt wat af. Om ons heen zien we enkel toendra, met in de verte hoge bergtoppen van rond de 1100, 1200 en 1300 meter. De weg is hier echter gelukkig op de vlakte aangelegd en zonder al teveel moeite kunnen we doortrappen naar 1000 meter. Geroepen door onze trek, terwijl het pas 11 uur is, staat daar in alle eenzaamheid in deze uitgestrekte wildernis een bankje.

 Met uitzicht over de vlakte - je kunt hier kilometers ver kijken - en op de oude reuzen in de verte snaaien we een vroege lunch wegh. Slechts sporadisch komt een auto voorbij, vrijwel altid toeristen en dan meestal nieuwsgierige Nederlanders. Mensen kijken verbaasd als ze onze fietsen zien. Met de auto zul je de 48 onverharde kilometers van de Jotunheimen met 1 uur wel over zijn, wij verwachten er nog enkele meer over te doen. De volgende kilometers gaat het via kleine heuveltjes omhoog. Iets voor de top van +/- 1200 meter gaat de weg nog even steil omhoog en kunnen we terug kijken op de toendravlakte, een paar kleine bergmeertjes en moerasjes en de bergen in de verte waar we ergens gister moeten hebben gefietst. Voor ons zien we enkel rots en wat mos en gras, de  laaghangende bewolking zorgt ervoor dat we in de verte slechts de contouren van wat water en ruige toppen met sneeuw kunnen ontwaarden. Er is hier net nieuw split gestort en bij de eerste kilometers afdalen is het glibberen, wegzakken, glijden en corrigeren. Soms onverwachts duiken knipgaten, wasbordjes en steen op Daan en ik slingeren van links naar rechts over de weg. Donkere sluiers komen over de bergtoppen drijven. Het is op deze hoogte ook koud. We stoppen en trekken het shirt met lange mouwen aan, evenals beenstukken, windjacks, handschoenen met lange vingers, overschoenen, regenbroek en regenjas. Ik heb nu 5 lagen kleding aan, maar nog zou ik een trui aan willen trekken. We rijden langs een nu grauw bergmeer.

 Regen slaat in onze gezichten en met de grijze lucht, mist en modderig wordende weg is het een triest aangezicht. Er staan soms wat kleine groepjes houten huisjes langs de weg, voornamelijk kotten, maar allen zijn verlaten. In de wijde omtrekt is geen levende ziel te ontdekken. Onder deze omstandigheden is het zwaar rijden, maar toch geniet ik van de natuur, het schouwspel van de wolken, de restjes sneeuw soms erg dichtbij, de groepjes schapen die voor ons uitrennen op de weg, de uitgestrektheid en leegte. Het is zwaar rijden, heuvel na heuvel volgt. Tijdens het klimmen slipt mijn achterwiel weg in het split, tijdens het afdalen moet ik continu remmen en corrigeren om niet met 1 van mijn 4 wielen in een knipgat te duiken. De Jotunheimvegen eindigt met een felle klim van 1040 naar 1100 meter waar de hoofdweg loopt, weg 51. Vanaf de hoofdweg hebben we een mooi zicht over het gereden traject over de heuvels langs het bergmeer. Vóór ons zijn hoge reuzen opgedoemd waar nog veel sneeuw op ligt.

 De weg daalt naar 1000 meter om daarna verrassend genoeg toch weer flink te stijgen. Enigszins mopperend malen we naar boven tussen de kale rotsvlakten. Overal om ons heen zien we steen, bergen, sneeuw en beekjes smeltwater. Aan de horizon zijn vaag de contouren te zien van nog meer kale bergen, rij na rij na rij na rij… De weg loopt naar 1166 meter. Er is hier niets! Geen huis, geen mens, niets behalve leegte en rots. Ongelooflijk. Eindelijk dalen we. Het begint weer te regenen  en bij 30 á 40 kilometer per uur snijdt de koude wind in onze gezichten en verkrampen m'n vingers. Is dit leuk? Nee. Toch geniet ik op een heel andere manier. Het is een puur gevoel, een soort primitieve emotie zo met de elementen bezig te zijn: ertegen te strijden en er één mee te worden. Of Daan er ook zo over denkt, betwijfel ik aan zijn vertrokken gezicht te zien. Verkleumd komen we aan in Beitostølen, een redelijk dorp qua formaat, maar compleet uitgestorven. Alles in deze regio lijkt toegespitst op de wintersport. Na een kleine boodschap bij de supermarkt - Daan wil persé vandaag wel een toetje - rijden we het laatste stukje naar de camping. Tenminste, dat denken we. De afdaling van 900 naar 730 meter steil naar beneden leidt nauwelijks ergens heen, behalve naar een weg door het bos. Een behulpzame vrouw vertelt ons dat we in Beitostølen niet hadden moeten afslaan, maar door hadden moeten rijden. Als we deze weg echter afrijden, komen we vanzelf weer op de hoofdweg en kunnen we terug klimmen naar Beitostølen. Het betekent wel weer klimmen. Pas na 5 minuten stilstaan weet ik de moed uit  mijn kleine teen te persen en schrijden we voort. Na bijna 80 kilometer is daar de camping en het is droog! Nu zien we dat we 500 meter voor de camping zijn afgeslagen en onnodig bijna 10 kilometer en een fikse klim zijn omgereden. De camping is verlaten - de Noren noemen dit nog steeds laagseizoen, waarschijnlijk gaan ze allemaal massaal in juli - maar het hindert niet, we hebben een bankje. Na de rijst Indian Korma weten we ons met moeite naar de douches te slepen en doen direct onze pyjama's aan, het is toch al 9 uur. Een prachtige dag, maar ook verschrikkelijk afzien. Hoe dubbel kunnen emoties zijn. Morgen gaan we lekker rustig aan doen en fietsen we maar 40 kilometer van 900 meter naar 460, zonder klimmen. Tenminste, dat hopen we dan maar. Noorwegen laat niet met zich sollen!
|