Werlte - Bad Bederkesa
Afstand: 152 km
Hoogste punt: 40 meter
Hoogtemeters: 360
|
naar Denemarken
 `Vergessen Sie das nicht?' vroeg de man mij gisteravond toen ik verklaarde rond acht uur weg te zullen rijden. `Nein', zei ik en beloofde plechtig de sleutel van het sanitairgebouw in de brievenbus te zullen werpen bij vertrek. Even voor achten sta ik voor de slagboom. Mijn fietsburen, een Nederlands stel, beginnen dan net te mompelen. Blijkbaar waren ze te druk met snurken vannacht, ik heb er haast niet van geslapen. Of was dat omdat de gevoelstemperatuur rond de nul graden lag? Het kan ook mijn matje zijn geweest, die al na één keer opblazen kapot is.
`Shit. Die sleutel, waar is die?' Het enige dat ik me kan herinneren is dat ik het ding in een vakje in m'n tent heb gedaan. Dus gaat de kar open, tent eruit, uitrollen, deur open ritsen, vakje zoeken. Geen sleutel. `Entschuldigung' zeg ik tegen het hoofdgebouw en rijd weg. God straft meteen en 5 minuten later krijg ik een bui op m'n dak. Felle buien en opklaringen wisselen elkaar veelvuldig af terwijl ik door het licht glooiend landschap rijd. Soms een stukje bos, dan weer akkers of weilanden met koeien en windmolens. De fietspaden langs de wegen zijn in de dorpjes van klinkertjes en dat is vervelend rijden met de kar. Een paar keer blijft het fietspad kilometers lang van klinkertjes en kies ik het gladde asfalt waar glimmende Mercedessen me voorbij flitsen - ze wijken overigens wel ruim uit. Helaas zit ik nog steeds zonder water omdat ik mijn bidons niet kon bijvullen in het sanitairgebouw. Geen 2 tellen later ploft een benzinestation uit de hemel. Ik haal diep adem en stap het winkeltje binnen: kijken of ik mij in mijn beste slechte Duits kan redden: `Gutentag, haben Sie auch Wassen ohne Kohlzuur?' Het vrouwtje loopt achter de balie vandaan en loopt de flessen water af. `Misschien deze, die heeft een beetje koolzuur' `Nein, Ich müste ohne haben' antwoord ik en met dat ik dat zeg, besef ik dat ik een meesterlijk asociale vertaalfout heb gemaakt. Stoïcijns ga ik door: `Kunnen Sie vielleicht nicht meinen Bidons mit Kraanwasser füllen?' Fout, echt fout. Mokkend pak het vrouwtje mijn bidon aan en loopt naar achter. `Vielleicht auch diese?' vraag ik als ze weer terug is. Ze doet het ook nog. Na een `vielen Dank' fiets ik verder. Na een binnendoor weggetje trek ik nog een aantal grote wegen waarvan het einde soms niet te zien is. De kilometers vliegen er doorheen en Oldenburg dient zich aan. Door een stad rijden kost altijd meer tijd en de toenemende regen, een openstaande brug in het centrum en een wegopbreking met bijbehorende omleiding maken het er niet makkelijker op. Vakantie houden is juist tijd nemen, maar in Duitsland ben ik eigenlijk niet zo geïnteresseerd. Bovendien `moet' ik over 8 dagen in Högsäter zijn, zo'n 900 kilometer verder. Bij het inhalen van een fietser vindt de betreffende man volgens mij dat ik hem afsnijd. Hij zegt wat, maar omdat ik hem niet versta mompel ik `hmmm, ja'
`WAS!?' reageert hij en komt naast me fietsen. Blijkbaar heb ik hem enorm beledigd, want 2 tellen later druipt er een roggel over m'n gezicht. Ik ben overrompeld en kan wel janken van deze vernedering. Ik roep nog wat naar hem dat ik hier niet zal vermelden en fiets gauw verder. Het houdt me kilometers bezig, terwijl wind en regen aanzwellen. Na 90 kilometer vind ik een beschut plekje onder een paar bomen met een tafel en smeer een paar boterhammen. De wind lijkt aan te zwellen tot stormkracht, er zitten venijnige stoten bij. Uitstel maakt afstel en ik klim weer op de fiets, kleunend tegen de wind in. M'n knie begint op te spelen en moeizaam sleur ik de fiets verder. De hemel breekt open. Nog net vind ik een bushokje om te schuilen en trek regenbroek en overschoenen aan. Even later lijkt het droog en vervolg ik m'n weg. Dan komt er een tweede stortbui naar beneden en binnen een mum van tijd staat er 5 á 10 centimeter water op het asfalt en ben ik tot de laatste draad doorweekt. Heerlijk, zo'n natte zeem. Ik zie haast niets door m'n fietsbril. Aangekomen bij de steiger van de pont over de Weser, klaart het weer iets op. De harde wind blast me droog, maar ik sta te rillen van de kou. Aan de overkant rijd ik de boot af en hoor een harde knal gevolgd door `flop, flop, flop'-geluiden. De band van de kar is lek. Nee hè? Terwijl ik de kar loskoppel, het wiel eraf haal en de band eruit trek, begint het weer te regenen. Dit is niet mijn dag. Toevallig ben ik gestrand bij de ingang van een camping. Zou ik? `Nee', zeg ik tegen mijzelf. `Je wilde jezelf toch testen? Als je nu stopt, geef je toe aan de tegenslagen.'
De band is in één keer succesvol geplakt: hoera! Ik stap weer op de fiets, maar m'n knie schreeuwt het uit van de brandende pijn. De wind is inmiddels gedraaid naar het noorden en blaast vol in m'n gezicht. Kom op, doorzetten! Moeizaam gaat het over de verlaten wegen tussen de weilanden door. Nog 40 kilometer. Nieuwe buien drijven over. Even stoppen voor een snickers. Nog 30 kilometer. Schuilen in een bushokje, daar gaat de laatste snickers. Ik krijg kokhalsneigingen van de misselijkheid, terwijl ik wel trek heb. Nog een fikse bui. Bibberend van de kou stop ik bij het volgende bankje: nog 15 kilometer. Het klaart op en ik droog op in het zonnetje. De laatste kilometers tel ik meter voor meter af, terwijl m'n knie steeds pijnlijker wordt. Na een laatste bui is daar de camping! Een vriendelijke man wijst me het tentenveldje op de plattegrond. Ik koop nog gauw een flesje cola. In de kar zitten nog een zak pasta en een potje saus. Een supermarkt bezoeken was er vandaag niet bij: dan maar geen groente, vlees en toetje. Het tentenveldje is leeg. Plots scheurt de hemel open, nu op positieve wijze, en is het blauw en warm. De beloning! Aan de picknicktafel geniet ik een flink bord pasta. De hete douche is goed voor de knie. Morgen zien we wel hoe het gaat. Misschien wat rustiger aan doen…

|