Fagernes - Gol
Afstand: 56 km
Hoogste punt: 870 meter
Hoogtemeters: 690
|
Fjellen en Fjorden - Golfjell
 Fagernes is eigenlijk een heel mooi dorpje van afstand gezien. Gisteren zagen we het niet door alle regen, maar nu we langs het meer fietsen, zien we dat de camping op een schiereiland ligt. Op de achtergrond is het dal zichtbaar waar we vandaan zijn gekomen. Daar waar het dal uitmondt in het meer, ligt Fagernes in een komvorm aan het water, ook op de steile bergwanden zijn huizen gebouwd. Het is droog en door de kleine blauwe stukjes tussen de wolken schijnt de zon. We rijden een klein stukje langs de E16 die de 2 grootste steden van Noorwegen, Bergen en Oslo, via zo'n 600 kilometer asfalt  met elkaar verbindt. Dankzij deze toegangsweg dwars door de buik van Noorwegen, is hier ook meer toerisme en zien we menig camper en caravan rijden, voornamelijk Nederlanders. Weg 51 splitst zich westwaarts af van de E16 en klimt omhoog richting Gol via de Golfjell. Het eerste stuk gaat dat met ongeveer 3 á 5% omhoog, een heerlijk percentage om snel te klimmen, door het bos, met tussen de bomen door een uitzicht op het dal beneden ons waar kleine campertjes en caravans achter elkaar aan tokkelen. Grote wegen trekken betekent behalve opschieten (en volgens velen dus `veel zien') ook veel moois missen. Even later is het dal niet meer zichtbaar en zitten we vrij ongemerkt alweer op zo'n 700 meter. In tegenstelling tot vorige hoogvlaktes, gaat het hier niet op en neer, maar loopt de weg licht stijgend door het dennenbos. Het is lekker ontspannen rijden en door het bos is even wat anders dan de rots- en toendravlaktes van de afgelopen dagen. Vervelende is alleen dat de lucht potdicht zit en al gauw begint het te spetteren. Het geluid van de regenbroek die langs je hoofdbuis schuurt, behoort nou niet tot mijn favorieten. Laag hangende wolkensluiers verhinderen het uitzicht op de hoogvlakte op zo'n 800 meter.
 De temperatuur is onder de 10 graden gezakt en met witte tenen en vingers proberen we zo snel mogelijk naar het hoogste punt, 860 meter, te komen. Erg jammer dat we niet van de omgeving kunnen genieten hier, want in de zon moet deze vlakte een mooi gezicht zijn. Even na het hoogste punt gaat de weg weer door het bos en dalen we langzaam. Het regent nu stevig door en ik voel de druppels door m'n regenkleding heen in m'n mouwen, broek en schoenen lopen. Met nog 15 kilometer te gaan, zitten we nog ruim boven de 700 meter, terwil de camping net boven de 200 moet liggen. Waar ik bang voor ben gebeurt: een bordje waarschuwt voor 9 kilometer afdalen met 5 tot 10%. Via enkele steile stukjes en scherpe haarspeldbochten vallen we naar beneden, terwijl de wind in onze gezichten snijdt en de regen door de kleding slaat. Bij het rennen voel je de blokjes wegsmelten tegen de natte velgen. Opeens is daar een kleine wegopbreking. Met het water op de weg en de kar achter m'n fiets kan ik niet hard genoeg remmen en de kaar slaat met de banden hard tegen een ophoging van asfalt. Pssssst, de rechterband is stootlek. In de aanzwellende regen en met door kou verkleumde handen krijg ik het niet voor elkaar het gaatje te vinden. Binnenband er weer in, buitenband erom, wiel weer aan de kar, hoes over de kar, kar aan de fiets, band oppompen en snel doorrijden. Het is nog maar 8 kilometer naar de camping. In Gol botsen we op een Kiwi (wat een zin!), zodat Daan zijn felbegeerde toetje en wat lekkers voor vanavond kan halen. De camping ligt net even buiten Gol, pal langs de weg. Het is niet veel meer dan 2 grasveldjes, een sanitairkeet en een receptie ter grootte van een Dixie-toilet. In de regen zetten we snel de tent op, met uitzicht op - vanzelfsprekend - een wild stromend riviertje. Inmidde  ls zijn er aardig wat kleren en handdoeken verspocht. Gelukkig ontdek ik in het sanitairgebouw een droger en terwijl die draait loop ik naar onze Nederlandse buren in hun camper om te vragen wat het weer zal worden. Positief nieuws hebben ze niet, maar ze bieden Daan en mij graag een kop koffie en een koekje aan. Ruim anderhalf uur horen we alle reisverhalen van de gretig vertellende, gebruinde globetrotters Teun en Trudy uit Holten. Hij is al 77, maar rijdt nog graag met de camper. Nadat we genoeg hebben gehoord over de avonturen in Turkije, Canada, Spanje, Italië, Joegoslavië, Finland en noem maar op, keren we terug naar de tent. Er staat vandaag Lapskous met aardappelpuree op het menu. Ook hier kunnen we electrisch koken, wat ik geweldig vind aan de Noorse campings. Minder gezellig is dat de campings tot nu toe voor 70% bestaan uit vaste plaatsen. De vele lege caravans met zelf getimmerde voorgevels in alle soorten en maten (soms met leistenen dak en regengoot) en alle rotzooi er omheen geeft een rommelige aanblik, zeker nu dat het nog geen hoogseizoen is, vrijwel al deze vaste plaatsen onbemand zijn. Met wat muziek in de oren proberen we de tikkende druppels op het tentdoek uit onze gedachten te verdrijven. Een potje kaarten onder het genot van een limo framboos - bringebær - en een bus Pringles zorgt voor wat afleiding. Onze leus van de afgelopen dagen houden we ook vandaag aan vast: morgen wordt het beter!

Dat de Noren kunstzinnig zijn, blijkt wel uit de bordjes die op het toiletgebouw hangen:
(jammer van de flitser inderdaad)
|