Geiteryggen - riksvei 50
Stolsvatn - Aurland
Er zit geen leven meer in m'n armen. Zodra ik weer op m'n horloge kan kijken, zie ik dat het tien voor zeven is. Mijn biologische klok werkt nog oké dus. Ik zei gisteravond dat ik om tien uur wilde gaan fietsen, maar voel me nu wel wat schuldig bij het zien van de slaperige gezichten van Marte, Kristin en Ellen Marie. Espen is nog niet te bekennen, maar nadat tot twee keer toe de rookmelder af is gegaan door het bakkenvan eieren met spek - wat een luxe! - verschijnt ook hij aan de ontbijttafel. Heerlijk om zo verwend te worden met een bed en goed eten. Ik voel me dan ook wederom wat schuldig als ik klaar voor vertrek buiten in de zon toch denk: 'waarom schieten jullie niet op?' Het is denk ik ook de reden waarom ik alleen reis. Maar goed: het is heerlijk weer, we moeten nog naar beneden rijden - als dat überhaupt past met z'n vijven plus alle bagagein zo'n fiëstaatje - er wacht me een pittige klim over Geiteryggen én ze zijn al twee uur bezig. Een uur later dan gepland lopen we terug naar de auto die een kilometer weg staat omdat sommige delen van de weg nog bedolven zijn onder de sneeuw. Hoe het past moet je niet vragen, maar we weten m'n kar achterin het kofferbakje te proppen, Ellen Marie, Marte en Espen met hun bagage op schoot op de achterbank en ik met de rest van m'n bagage voorin. Vanwege m'n riekende kleding leek 't me niet verstandig bij hun achterin te zitten.



Tijdens de rit naar beneden schuurt de onderkant van het autootje af en toe over de grond, glijden we in de bochten over het gruis en moet Kristin op het laatst zo hard remmen dat we al slippend bijna de tolslagboom doormidden jagen. Nog nalachend komen we bij het huis van de vrouw in Hovet, waar mijn fiets geparkeerd staat. Ze zit alweer buiten in de zon en kijkt samen met de anderen bewonderend toe hoe ik m'n fiets in een roadtrain ombouw.


En na wat bedankjes en afscheidsgroeten rol ik klokslag elf weer in m'n uppie de weg op. De zon brandt al flink aan de hemel en het belooft een hele warme dag te worden. Ik vind het verrassend hoe lekker ik de benen rondkrijg en ook m'n knie houdt zich stil, zelfsals ik al na een paar kilometer de hoogte in moet. De weg perst zich samen met een riviertje - dat zich hier als finke waterval naar beneden stort - kronkelend door een zeer steil knalgroen dal waar de rotswanden tot in de hemel lijken te reiken en de hemel zelf kleiner lijkt. Na honderd hoogtemeters volgt de weg echter weer een meertje en zo kan ik een paar kilometer op adem komen en tegelijk genieten van het uitzicht op de groene berghellingen waar de skipistes er nu eenzaam en verlaten bijliggen en de witte bergtoppen in de verte: daar wil ik heen!


Na het meertje gaat de weg weer een stukje omhoog en werkelijk vrolijk trap ik lichtjes de hoogtemeters weg. Ik heb echter wel geleerd van afgelopen zondag en al na twaalf kilometer stop ik in Myrland bij een KRO om aan een picknicktafel een goede lunch naar binnen te werken. Het is trouwens heerlijk rustig op deze weg: vrijwel geen vrachtverkeer en af en toe wat toeristen. Na nog wat hoogte volgt de weg kilometers lang het Strandavatn waar aan de andere kant de ruige toppen van het Hallingskarvetliggen, bedekt onder dikke plakaten sneeuw. Ruim tien kilometer blijf ik zo rond de duizend meter en de klim valt me tot nu toe reuze mee: om de paar kilomter een hoogteverschil van zo'n honderd meter.




Aan het einde van het meer gaat de weg wel steil omhoog door wat nog nauwelijks een dal te noemen is. Links en rechts liggen grote sneeuwvelden waar talrijke stroompjes zich een weg doorheen banen. Op 1075 meter hoogte boort de weg zich door de bergen heen.De oude weg naar Geiterygghytta is afgesloten met een slagboom, maar ik kan er mooi omheen. De chauffeur van de oplegger die waarschijnlijk wat bouwmateriaal naar de hut gaat brengen, biedt me een lift naar boven aan. Bij het afslaan van die aanbieding probeert de man me te ontmoedigen door te zeggen datde weg naar de andere kant van de tunnel niet te rijden is. Maar ach, deze kant is ookduidelijk geschoven en zo tuf ik in m'n 22-34 versnelling puffend en zwetend over het onverharde pad naar boven, dwars door sneeuwvelden heen, zodat er tot wel enkele meters sneeuw langs de weg ligt.




Een aantal verdwaalde wandelaars kijken me vreemd na. De weg is vrij gemaakt, maar overal ligt nu sneeuw, heftig smeltend in de hitte van bijna twintig graden. De hut ligt ook nog midden in de sneeuw en in één oogopslagzie ik dat de weg naar de andere kant van de tunnel inderdaad niet geschoven is en absoluut ontoegankelijk.


Toevallig zitten er aan de picknicktafel naast de hut drie Denen die 'toevallig' net aan het eten zijn. De vrouw schenkt thee voor me in en ik mag mee-eten met de lunch, terwijl we een prachtig uitzicht over de sneeuwvlakte en een nog grotendeels bevroren meer hebben.


Wonderbaarlijk kan ik hun Deens verstaan en zij mijn Noors en zo kom ik erachter dat ze beheerders zijn van de hut en die aan het opknappen zijn voor de opening van aanstaand weekend. Ook zij zetten een streep door mijn idee de weg verder af te rijden en nadat de vrouw mijn flesjes met vers bergwater heeft gevuld, hobbel ik weer over het onverharde pad tussen de sneeuw door terug naar de hoofdweg.



Juist, wat nu? Veiligheidshesje om, knipperlicht aan en gaan. 3,2 kilometer, dat is even slikken. Ik voel me dan ook totaal niet op m'n gemak in de tunnel, die ook nog eens honderd meter hoogte in mijn nadeel overbrugt. Al harkend en puffend stamp ik door die donkere vriezer totdat ik achter me en voor me enkel noglichtjes zie. Die lampen hebben een onderlinge afstand geschikt voor snelrijdende auto's, niet voor fietsers. Onder elk lampje is het redelijk licht, maar daartussen is het stikdonker. Dankzij het ontbreken van verkeer, slechts drie auto's passeren, hoor ik het water langs de tunnelwand naar beneden stromen. Je zal hier wat aan je fiets krijgen. Brrr, niet aan denken, gewoon doorfietsen, er is immer licht aan het einde van de tunnel.


En daar word ik behalve op een warme lucht ook op een prachtig uitzicht over een bergmeer vol met ijsschotsen getrakteerd.

Scroll naar rechts om de hele panorama foto te bekijken.


Na een paar flinke afdalingen waarbij ik zestig á zeventig koers, moet ik helaas de sneeuwachter me laten. Na wat vlak fietsen worddt het dal plotseling heel smal. De volgende tunnel. Die van 900 meter neem ik snel: het gaat steil omlaag en met zeventig kilometer per uur voelt het alsof ik in een buis zit die me de ruimte in gaat schieten. De volgende tunnel van 2,5 kilometer vlak doet me weereven slikken. Niet nadenken, gewoon doorstampen. Eindelijk is daar het einde van de tunnel. Maar na honderd meter volgt wéér een tunnel: 4,2 kilometer. Wat is dit? Op het stukje weg in de buitenlucht probeerik wat moed te verzamelen. De chauffeur van de omhoogkomende bus kijkt me verward aan: hoe kom jíj hier in vredesnaam?


Ik deel de 4,2 kilometer opin stukjes van één kilometer en stamp flink door. Ik probeer nergens aan te denken, maar één gedachte blijft opkomen: dit nóóít weer. Na deze tunnel volgt er nog één van ruim twee kilometer gevolgd door een bord: negen procent omlaag de komende zeven kilometer. Wat een weg.


Maar in de buitenlucht voel ik me een stuk zekerder. Na het controleren van de remmen, laat ik me verder naar beneden rollen en na twee kilometer word ik getrakteerd op werkelijk het meest fantastische uitzicht ooit: het Aurlandsdal.



De weg stort zich hier via haarspeldbochten langs de steile rotswand die loodrecht uit het dal lijkt opgerezen, naar beneden. Links, rechts en in de verte enkel gigantische hoogteverschillen van bergen die af lijken gehakt, met daar tussenin geperst het dal en de Aurlandsfjord in de verte. De haarspeldbochten verdwijnen soms als halve krakelingvormige tunnels in de berg en ik raak de tel kwijt na zes tunnels en ruim dertien kilometer in het donker. De prijs mezelf gelukkig bij het uitrijden van delaatste tunnelmet bocht erin. De laatste vijf kilometer naar Aurland zijn zo gepiept. Ik zet de tent op aan de sme;trivier op een kleine camping. Eerst douchen met koud water, want hoewel m'n schouders lijkwit zijn, zien m'n armen eruit als rauwe biefstuk. Op m'n gemakje fiets ik nog even naar hetdorp voor wat boodschapjes en zelfs als ik rondhalf acht ga eten, is de zon nog behoorlijk warm. Ik krijg het nog voor elkaarm'n schone in plaats van vieze fietskleding te wassen, en daar pas achteraf achter te komen, zodat ik nog een keer naar het washok kan. En na de gewone afwas ben ik het dan ook even helemaal zat. Rest alleen de vraag hoeen of ik morgen in Øvre Årdal ga komen, want niet alleen zijn enkele van de vele tunnels verboden voor fietsers: ik heb erook even m'n buik van vol. Gelukkig maar dat het hier 's nachts lekker licht blijft!