|
Sognfjord og -fjell
Aurland - Kroken
Wat zal ik doen: de bus naar Øvre Årdal pakken om zo de Aurlandsvegen - die ik in 2003 al heb gefietst en waarvan ik weet hoe verdomde steil die is - en tig tunnels te ontwijken, zodat ik Vetisfoss waterval kan bezoeken en de Tindevegen fietsen; óf de bus naar Sogndal pakken, zodat ik Ida die aan de Lustrafjord woont kan bezoeken en een dag win - maar wel Vetisfossen en Tindevegen laat schieten; óf toch maar de Aurlandsvegen fietsen en de boot naar Sogndal pakken om geld uit te sparen. Een stijve knie geeft het antwoord: ik pak de bus naar Sogndal zodat ik één dag minder hoef te fietsen en in een goed bed kan slapen bij Ida. Door alle onrust ben ik er al om half acht uit en fiets twee keer naar het dorp: één keer om te pinnen en één naar de plaatselijke VVV om te vragen of er toch nog andere mogelijkheden zijn: die zijn er niet. En zo sta ik met een gedemonteerde kar, alle bagage en fiets met schuin stuur om tien uur bij de bushalte voor de camping te wachten op de bus die volgens de buschauffeur die gister toevallig bij de campingreceptie stond, om vijf over tien moet komen. Dat doe 'ie tien minuten later. De fiets en alle bagage verdwijnt in het ruim, dat zowaar belegd is met vloerbedekking, zodat m'n fiets niet beschadigt. Ik zeg weleens voor de gein dat m'n fiets m'n kindje is, maar de buschauffeur neemt het wel erg letterlijk: ik moet een kinderkaartje voor hem kopen! Vijf minuten later scheuren we door 's werelds langste wegtunnel, de 25 kilometer lange Lærdaltunnel. Ergens voel ik me een verrader, een valsspeler, dat ik hier de bus neem, zoiets heb ik nog nooit gedaan. Maar ik denk dat het een goede keus is. Na wat geslinger door Lærdal en nog een lange tunnel komen we in Fodnes, waar de ferrie op de bus ligt te wachten. De buschauffeur roept om dat we uit moeten stappen en aan de andere kant van de fjord een andere bus moeten nemen. Die fiets uit het ruim halen en de boot oprollen is niet zo erg, maar die kar, tassen en losse wielen is een ander verhaal. Op de kade staat toevallig een karretje waarop ik de bagage dump en daarmee gauw terug naar de boot ren, die direct vertrekt. Zo lijkt het helemaal alsof ik met een verhuizing bezig ben in plaats van een fietsvakantie en de mensen op de boot kijken me maar raar aan.

Aan de andere kant van de fjord staat inderdaad een bus te wachten en achter de auto's, caravans en vrachtwagens aan loop ik met in m'n rechterhand m'n fiets en in m'n linkerhand het hengsel van de bagagekar. Na een ritje van zo'n twintig minuten sta ik in centrum Sogndal en monteer de fiets en aanhanger weer in elkaar. Ida sms't me dat ze vanuit haar werk mij bij het pontje van Solvorn kan treffen. Maar dat is nog maar twintig kilometer hier vandaan en ik heb nog de hele middag voor me. Een paar honderd meter buiten Sogndal dient zichechter al een picknickplaats aan, direct aan het water. In het spiegelgladde meer is een perfect evenbeeld te zien van de bergen rondom. In de verte prijken vaag een paar spitse witte toppen richting de hemel, daar moet Jotunheimen liggen.


Eerst maar eens uitgebreid lunchen, wat zoveel wil zeggen als twee sneetjes brood meer en veel langzamer eten. Na het meertje gaat de weg wat meer omhoog door het dichte bos langs een woeste stroom. Het hoogste punt van de weg ligt op zo'n tweehonderd meter: wederom een geweldig uitzicht over een meertje met kleine rotsige eilandjes, hier en daar wat houten huisjes met bootjes aan de waterkant en de bergen als achtergrond. Ik heb deze weg in 2003 in omgekeerde richting gefietst, maar kan me niets herinneren van al dit moois. Misschien komt dat door het feit dat het toen onophoudelijk regende voor de derde dag op rij. Opeens staat daar het bordje Solvorn en ik sla rechtsaf het kleine weggetje in dat zich via een aantal scherpe draaien en haarspeldbochten omlaag werkt naar het dorpje aan de waterkant.

Ik heb nog nooit een zo'n lieflijk dorpje gezien: langs het enige straatje dat naar de aanlegsteiger van de pont loopt, verdringen zich prachtige helderwitte houten huisjes met rode bloemen voor de deuren en ramen. Op een klein parkeerplaatsje kunnen de auto's zich verzamelen voor de overtocht. Het staat leeg. Ik parkeer er mijn fiets en loop nog wat door het dorpje om een paar plaatjes te schieten.
Terug op de kade komt Ida al aangelopen.Ze is klaar met haar schoonmaakwerk bij het hotel. Terwijl de zon doorbreekt lopen we aan boord vande ferry, die slechts een handjevol andere toeristen meeneemt. Had er geen eeuwenoude staafkerk aan de andere kant van de fjord gestaan, dan had de hele veerdienst volgens mij niet bestaan.
Ida's fiets staat aan de andere kant en op slippers fiets ze met me mee - of ik eigenlijk met haar - langs de fjord. Hier rijdt niemand op de weg, hier woont niemand. Ida's huis of eigenlijk erf, ligt op één van de meest idyllische plekjes. Tegen de berg aangeplakt liggen twee houten huizen, een hooischuur, weide en wat teelgrond, met een prachtig uitzicht over de fjord.

M'n fiets kan in de schuur en ik krijg een eigen slaapkamer. Douchen kan ik helaas niet. Het hoofdhuis krijgt water van de rivier, maar die heeft de douche laten verstoppen. 's Winters hebben ze ook geen douche, want dan is de rivier bevroren. Ida's voorbeeld om een duik te nemen in de fjord volg ik maar niet: het water is ijs- en ijskoud. Buiten begint het te regenen en ik ben dolblij dat ik niet in de tent hoef te slapen. Na het omdraaien van de hooi in de schuur kunnen we aanschuiven voor de paëlla gemaakt door de amerikaansestiefvader van Ida die in 1995 naar Noorwegen is geëmigreerd, onder andere omdat hij zich niet kon vinden in de amerikaanse politiek. De paëlla met zelfgemaakt knoflookmayo smaakt uitstekend. Na het desert van drilpudding met frambozen, tafelen we nog wat na, tot Ida op het idee komt om een stukje met de paarden te rijden. En ik heb nog nooit gereden!



Met een joggingbroek van Ida en een mooie helm op zit ik even later op een joekel van een zwarte knol. Het zijn echter wat oude beestjes, dus snel gaan ze niet. We sjokken wat over de weg langs de fjord. Er woont hier helemaal niemand, er komt hier helemaal niemand. Na een kwartier houdt mijn paar ermee op, er is werkelijk geen beweging meer in te krijgen. We wisselen van paard, maar de beestjes zijn meer geïnteresseerd in gras eten dan lopen. We binden ze vast aan een boom en lopen stukje de weg af. Ida laat me een huis zien van een man die in 1985 is overleden, maar waar nooit de spullen zijn weggehaald. Het is als in een griezelfilm: oude kranten, ansichtkaarten, kleding, spullen: alles ligt er nog bij zoals ruim twintig jaar geleden. Uit de piano komt een eng geluid en de deuren kraken. Terug bij de paarden is er één ontsnapt en het kost ons heel wat moeite de oude paarden die totaal niet willen luisteren door het bos terug naar de weide te leiden. Inmiddels loopt het tegen tienen. Eigenlijk wil ik naar bed, maar Ida begint vrolijk popcorn te poppen voor de film die we gaan kijken, samen met een vriendin, die ineens ook in de keuken staat.
'Wie ben jij eigenlijk?' vraagt ze me.
'Ik ben Johannes en ben op fietstocht.'
'Haha, je bent toch niet helemaal over de Sognfjell gekomen?'
'Nee',zegt Ida, 'dat gaat hij morgen doen. Hij is uit Oslo komen fietsen.'
Complete stilte. Haha. Na de film vind ik het welletjes. Het is al half één en morgen wacht een hele zware fietsdag. Heerlijk dat ik in een gewoon bed kan slapen!
|