|
Sognfjord og -fjell
Kroken - Bøverdalen
Oef, het is lastig wakker worden om zeven uur als de wekker gaat. Ik wist wel dat het niet slim was om zo laat op te blijven. Nou ja, ik heb gelukkig maar weinig in te pakken en een kwartiertje later zit ik met de moeder van Ida aan het ontbijt. Ida zelf komt zowaar even voor achten ook naar de keuken, zij het met een nogal duf gezicht. Maar toch aardig dat ze de wekker heeft gezet om me uit te zwaaien. Ik krijg een ijsdoos vol paëlla mee, plus een diepbevroren brood en een doosje zelfgemaakte gele bergbramenjam, zoals dat in het Nederlands heet - in het Noors is het myltebærsyltetøy. Kwart over acht tokkel ik over het kleine weggetje langs de fjord waarin de bergen perfect weerspiegeld worden. 'Sfeervolle wolkjes' - die term hebben Jesper en ik aan deze fjord uitgevonden - hangen tegen de bergen aan. Vanaf de gigantische bergwand naast me raast in een lange witte sluier de Feigedals waterval naar beneden en blaast een ijskoude wind over de weg. Wat een sprookjeslandschap.

Toen de vrouw van de ferry gisterenmijn fiets zag, vroeg ze aan Ida: 'Heb je het hem wel verteld?'
'Nee, dat ben ik vergeten.'
Lekker dan, wat nu weer?
'Aan de andere kantvan de fjord zal je enkele tunnels tegenkomen - ja, dus? - zónder verlichting.'
Hij is fijn! De eerste tunnel is gelukkig maar driehonderd meter. Bij de ingang hangt een brievenbus met zaklampen erin, speciaal voor fietsers. Geniaal! Aan de andere kant van de stikdonker koude tunnel word ik geachtde zaklamp weer in een brievenbus te stoppen, wat ik natuurlijk doe.
Lustrafjorden. Scroll naar rechts om de hele foto te zien.
De tweede tunnel is echter één kilometer lang en de brievenbus is leeg. Na tweehonderd meter verlies ik m'n ledlampje die ik voorop m'n stuurtas had vastgeklikt. Stoppen is geen optie, omdat dan al het licht van m'n door de dynamo aangedreven koplamp ook verdwijnt en ik niet meer kan zien waar ik fiets. Zachtjes lichten de strepen aan de kant van de weg op in het zwakke licht. Ik voel me totaal niet op m'n gemak en fiets onzeker steeds verder de koude donkerte in. Dan maakt de tunnel een kleine bocht, waardoor het plotseling nog donkerder wordt. De belijning verdwijnt in het niets en omdat m'n ogen niet aan het donker gewend zijn, rem ik wat af omdat ik bang ben van de weg te raken. Maar doordat ik nu nog maar stapvoets rijd, zie ik vrijwel niets meer en twee tellen later sta ik in complete duisternis stil in een natte, koude, stik- en stikdonkere tunnel. Ik probeer m'n paniek de baas te blijven en tover op de tast uit m'n stuurtas m'n fotokamera tevoorschijn. Op de foto die ik maak in de hoop te zien waar ik me op de weg bevind zie ik tot m'n schrik enkel waterdamp en rots, van héél dichtbij.

Ik sta recht tegen een rotswand aan! Er moet hier een bocht zijn, maar waarheen? Ik draai wat, tast met m'n voeten de grond af totdat ik weer asfalt voel, rol twee á drie meter en 'doink', bots weer tegen een rotswand aan. In paniek wil ik 'HELP' roepen, maar ik weet dat hier maar vijf auto's per dag langskomen. Angsvisies van vleermuizen en uren lang op de tast langs de wand naar buiten strompelen probeer ik te verdringen. Ik laat m'n ogen aan het donker wennen en een angstige minuut later zie ik heel in de verte eenvaag schijnsel. Ik beweeg me erheen en het schijnsel wordt duidelijk: de uitgang! Op zo'n tweehonderd meter voor de uitgang zie ik een wit stipje op de weg liggen. Wat is dat? Tot mijn grote ergernis blijkt het m'n verloren lampje te zijn dat eenzaam in het donker knippert: ik ben weer terug gefietst! Ik draai om en fiets nu zo hard ik kan, zodat ook na de bocht het licht van m'n koplamp sterk genoeg blijft om te kunnen zien. En zo passeer ik met grote vaart de inham waar ik waarschijnlijk in 'verstrikt' ben geraakt. Met grote opluchting fiets ik even later aan de juiste kant de tunnel uit. De laatste onverlichte tunnel is maar driehonderd meter en dus overkomelijk. Inmiddels is het einde van de fjord genaderd en fiets ik Skjolden binnen. De enige nærbutikk in het dorp gaat pas over een kwartiertje open, tien uur is immer vroeg genoeg voor een doordeweekse dag. Voor de buurtsuper staat een picknicktafel en ik maak van de gelegenheid gebruik om nog eens goed te ontbijten. De wolkjes die bij vertrek al dreigen naar beneden loerden, zijn nu ook bij het einde van de fjord gekomen en de eerste regendruppels vallen naar beneden. Met 'verse' bananen - het is in de winkel warmer dan buiten - en chocoladekoekjes fiets ik de laatste vlakke kilometers langs een rivierte naar het dorp Fortun, waar de pas begint.

Ik zie er letterlijk als een berg tegenop: 1400 hoogtemeter, ga ik dat halen? Ik heb in de Alpen wel ergere dingen overbrugd, maar ik mis nu die bevlogenheid, ongetemde enthousiasme, maar vooral: conditie. Ik besluit maar om bij elke honderd hoogtemeters te stoppen - en niet eerder! - en al snel verdwijnt het dorp onder me, terwijl ik aan de eerste haarspeldbochten begin. Op tweehonderd meter hoogte heb ik een prachtig uitzicht over Fortun, het dal en Lustrafjorden in de verte.

Daarna wendt de weg zich af en kruip ik over het asfalt meter voor meter omhoog door wat vanwege de regen, warmte en hoge luchtvochtigheid, aanvoelt als een tropisch regenwoud - alles is knalgroen, er groeien grote varens langs de kant van de weg en overal stroomt water. Het kost me meer dan tien minuten om honderd hoogtemeters te overbruggen, maar ik kan de mentale weerbaarheid opbrengen om enkel elke honderd hoogtemeters te stoppen, al kom ik wel hijgend en puffend tot stilstand. Een paar koekjes, banaantje, slok water en verder maar weer over die lange steile weg door stukjes bos en graslanden met schapen, langs de wildkolkende rivier omhoog. Vijf á zes kilometer per uur gaat het en de campertoeristen kijken me met verbazing aan. Rond half één kom ik boven de boomgrens uit. Op bijna negenhonderd meter ligt een wegrestaurantje langs de weg - Turtagrø, waar ik onder een afdakje ontkom aan de voortdurende miezer en een drie kwartier lange pauze neem om goed te lunchen. Vanuit de witte bergtoppen komt een klein weggetje al slingerd naar beneden en loopt dood op deze weg 55. Het is de Tindevegen vanuit Øvre Årdal en o wat ben ik blij dat ik die heb overgeslagen.

Hoewel ik ondanks de regen met frisse moed weer opstap, schiet de verzuring al gauw in de benen. Het gaat hier met een aantal haarspeldbochten flink steil omhoog naar de 1200 meter. Het wordt ook kouder en guurder. De begroeiing maakt plaats voor stenen en de eerste sneeuwvelden dienen zich aan.
Op 1300 meter is alles plotseling wit. meters sneeuw ligt er nog op sommige plekken en de weg krioelt als een zwarte tunnel zonder dak door het witte landschap. Soms zijn de muren van sneeuw langs de wegkant wel vier meter hoog.
Na een felle klim naar 1400 meter die ik uiterst traag opkom, vlakt het landschap af en gaat het met kleine heuveltjes op en neer. Toen ik hier vier jaar geleden met Jesper en Jan was, lag er nog wel sneeuw, maar nu is het nog volop winter, zo lijkt het. En dat op 22 juni! De soms zeer dichte flarden mist geven het geheel een mysterieuze aanblik en de soms suf voor zich uitkijkende toeristen in zomershirt die schaapachtig wat foto's wegklikken op een inhammetjes ontsieren het aangezicht. Dit landschap is puur, hier heersen de elementen en hier moet je voor strijden.
Sognfjellshytta
Vanuit de mist duikt Sognfjellshytta op. Ik zet de fiets tegen de sneeuw (!!) en loop naar binnen voor een warme kop chocolade. Door het raampje kijk ik uit op een nog volledig witte vlakte waar een aantal Noren nog vrolijk aan het langlaufen is over de zojuist geprepareerde loipes.
Voor de afdaling trek ik een extra jack en m'n regenkleding aan. Die heb ik nodig, want de wind is koud en onder de sneeuwgrens begint het weer flink te regenen.
Met zestig kilometer per uur voelen de druppels regen aan als hagelstenen. De camping in Bøverdalen ligt nog verder dan ik zou willen en de weg gaat niet alleen maar naar beneden. Behoorlijk gesloopt zet ik na negentig kilometer in de regen m'n tentje op op het natte gras. Gelukkig hoef ik niet te koken en is het slechts een kwestie van de meegekregen paëlla- rijst, makreel in tomatensaus, wat spinazie, uitje, tomaatje, olijven - opwarmen. Na de afwas bellen pa en ma nog even zodat ik m'n verhaal kan doen over die verdomde tunnels en de slopende maar prachtige bergpas. Direct erachter aan belt Tove Johanne dat ik morgen bij hen tercht kan in Skjåk. Heerlijk, ik kan er naar uitkijken in een droog huis te slapen. Vijf seconden nadat het gesprek is afgelopen, val ik met m'n kleren nog aan in een diepe slaap...
|