|
Strynefjell
Skjåk - Hjelle
In een houten huis hoor je werkelijk alles en even voor negenen klinkt het gerinkel van bordjes en kopjes in de keuken recht boven mij. De wolkjes hebben de hele nacht doorgetrokken en zijn nog vrolijk met hun polonaise door het dal bezig: dan weer zuidwaarts, dan weer noordwaarts. Het ontbijt is fantastisch met thee en melk en jus d'orange, een eitje en honderd soorten beleg. Ik mag niet verder gaan met inpakken vóór ik een lunchpakket heb gesmeerd en drie eieren en een stuk eigen gemaakte worst heb geaccepteerd. De tent heeft de hele nacht te drogen gehangen over m'n fiets en zo ben ik helemaal schoon en van alle (eet)gemakken voorzien, met een kar vol schone, zelfs opgevouwen kleding, klaar voor de volgende etappe.

De eerste kilometers waan ik me weer in Canada of Alaska (hoewel ik daar (nog) nooit ben geweest). De weg slingert door het naaldbos langs de soms heftig kolkende en schuimende helgroen/blauwe bergrivier. Een bruine beer die langs de waterkant wat vissen uit het water slaat, zou hier niet misstaan. De weg klimt, maar het percentage is te overleven. Slechts daar waar de rivier in een flinke stroomversnelling bruisend over de grote rotsblokken naar beneden raast, moet ik even terug naar het eerste blad.
Het aantal bomen neemt gestaag af en boven de 800 meter rest er enkel nog een berkenbos en wat struikjes. De rivier is veranderd in een langzaam stromend bergmeertje, hoewel zo links en rechts gevoed door spectaculaire watervallen die het smeltwater vanaf de witte bergtoppen afvuren naar beneden.


Zo ongeveer op de boomgrens ligt Grotli: een wegrestaurant/hotel vanwaar je de afslag naar de Gamle Strynefjellvei kunt nemen. Het miezert nog steeds en ik schuil onder een afkapping voor een broodje ei en een banaantje. Het stikt hier van de toeristenbussen en vreemd genoeg lijken het vandaag enkel Fransen te zijn. Twee oudere Franse dametjes wijzen ongegeneerd naar me en lachen me tegenover elkaar uit. Bij het wegrijden spreken twee Fransen me echter aan met een bemoedigend 'Bravo'. Nog groter is mijn verbazing als één van de mannetjes bij het zien van mijn verbaasde blik als antwoord op zijn Frans - waarom antwoordde ik in vredesnaam 'un petit peu' op zijn vraag? - overschakelt op het Engels. Ik laat hen wat stickers zien van wat Franse Alpencolls die ik in een gekke bui - ik kan me niet voorstellen hoe ik elke dag een tweeduizender heb kunnen verteren - ooit heb gefietst. Na een 'bon voyage' draai ik het zandpad van de Gamle Strynefjellsvei. Na één kilometer hoor ik achter me echter een raar 'floef, floef'. Floef, floef? Het zal toch niet waar zijn? De rechterband van m'n karretje is lek. Nee hè? Meteen realiseer ik me wat ik ben vergeten... plakspullen. Wat nu? Met een klein steeksleuteltje wurm ik de buitenband van de velg. In een poeltje kan ik gelukkig snel zien waar het gaatje zich bevindt. Ik wikkel een paar rondjes met duck-tape rond de plek en monteer alles weer op z'n plaats. Toch fiets ik niet zo lekker meer. Het begint weer harder te regenen en de grijze leemachtige wegverharding zit al gauw overal op m'n fiets en kar. Na twee kilometer staat de band weer plat. In een inhammetje pomp ik het bandje zo hard mogelijk op: eerst maar eens zien op de top te komen, daarna kijken we wel verder. Het helpt, want ik fiets opeens een stuk lichter. Té licht denk ik tweehonderd meter verder en ik kijk achterom. Verdomme, jahoor, ik ben vergeten het karretje weer aan de fiets te koppelen. Het oppompen blijkt echter maar een hele tijdelijke oplossing en al gauw moet ik weer stoppen. M'n fiets begint ook te protesteren: de ketting loopt stroever en stroever door al het vocht en de derailleur verslikt zich in al het fijne zand en begint te proesten en kuchen. Dit werkt zo niet. Dus haal ik de band er met enig gevloek weer af - het wil niet zo erg met een steeksleutel, natte banden en half verkleumde handen - en verwijder de ducktape van de binnenband. Met een doek maak ik de band goed droog en breng een nieuwe laag aan. In een beekje controleer ik of er nog lucht uit de band loopt en na drie of vier keer tapen lijkt het lek gedicht. Lapje langs de ketting, bidon legen over de derailleur - echt dorst krijg ik toch niet in deze voortdurende regen - en verder maar weer.




Het begint nu echt hard door te regenen en vanuit het niets komen er dikke flarden mist opzetten. De chauffeur van de touringcars, die zelfs - of juist - over dit smalle onverharde weggetje rijden kijken me meewarig aan. De omgeving bestaat nu alleen nog maar uit het wit van de mist, het wit van de sneeuw, die hier nog overal ligt, en het grijs van de opspattende leem. M'n hele fiets en aanhanger is bedekt onder een dikke laag drap. Na het hoogste punt op zo'n 1150 meter volgt de weg nog een hele tijd een bergmeer. Althans, zo staat het op de kaart aangegeven. Zelf zie ik bijna niets en rijd als in een film door een witte tunnel: links en rechts hoge muren van sneeuw, soms wel vier meter hoog, boven me mist, voor me mist en achter me mist.



Zo af en toe duiken er opeens twee koplampen uit de mist op en de inzittende gapen me aan, terwijl ik kreun en doorstamp en m'n fiets piept, knerpt en zucht en de band van m'n karretje toch weer langzaam leegloopt. Hoe was het ookal weer? O ja: fietsen is leuk. En hoe raar het ook klinkt, ik vind het best leuk. Wanneer alles tegenzit en niets wil lukken, tilt de zeventiende tegenslag je over een bepaald onzichtbaar omslagpunt heen en wordt wat vervelend en verschrikkelijk en koud is, plotseling gaaf en leuk en een uitdaging. Ik zal het halen! Niemand die me tegenhoudt! Fietsen ís leuk, juist omdat het af en toe helemaal níet leuk is. Plotseling verandert het wegdek in asfalt en even later schuift de parkeerplaats van het zomerskicenter voorbij. Daarna gaat het alleen nog maar naar beneden. Sneeuwwand naar links, sneeuwwand naar rechts. Ik knijp en voel hoe m'n achterremblokjes tegen m'n velgen aan wegsmelten. Plotseling schiet ik de witte tunnel uit. Ik ben weer onder de sneeuwgrens die hier op 750 meter ligt en tegelijkertijd laat ik de wolken boven me.


Via een aantal haarspeldbochten kom ik weer op de hoofdweg uit, die zich middels een aantaltunnel heeft onttrokken aan het koude hooggebergte. Via wat ruimere bochten slingert de weg steil naar beneden het diepe, diepe dal in waar aan weerszijden Alpenwaardige scherpe puntige bergtoppen naar de hemel rijzen, nu alleen niet te zien door het dikke wolkendek. Twee remblokjes, verkleumde handen en ee platte band later vlakt de weg af. Het is nog tien kilometer naar het Strynsvatn, waar het schijnt te barsten van de campings. Ik haal m'n fietspompje uitm'n stuurtas. Nu pas zie ik hoe erg alles onderde bagger zit. Ikzelfs zie er ook nietuit en als je niet weet waar ik ben geweest, zou je denken dat ik één of andere trol ben die net uit z'n favoriete moddelpoel is komen kruipen. Oké, zo kijken de Nederlanders op de kleine camping waar ik vol zelfmedelijden om half zes aan kom rijden, ook naar me. Of, zoals m'n nieuwbakken buurvrouw uit Bolsward het zo tactvol weet uit te drukken: "Als ik jou was, zou ik me doodongelukkig voelen". Haha. Dan blijkt hoe goed een douche kan doen en eenmaal in de tent aan de pasta kijk ik met genot en trots naar de foto's van vandaag. Wat een heerlijke, verschrikkelijke dag. Verbazend hoe dicht bij elkaar schijnbaar tegengestelde emoties kunnen liggen. Na de afwas poets ik m'n tanden en daarna heeft het tikken op het tentdoek maar twee minuten nodig om me in een diepe slaap te wiegen.


|