|
Sunnmøre Alpane
Stryn - Sæbø
Heerlijk, eindelijk word ik weer eens de tent uitgebrand door de zon, haast onwerkelijk om een bijna blauwe lucht te zien. Het bewijst ook maar weer eens hoe grillig m'n eigen buien kunnen zijn. Met de Tank geolied en een opgelapte band fietst het in het zonnetje duizend keer lekkerder. Achter torenen scherpe hoge bergpieken die ik de laatste twee dagen niet heb kunnen zien. Best jammer, want het is hier een prachtig gebied.


Na een paar kilometer langs de groen/blauwe fjord klimt de weg omhoog door het bos. Met de warme zon op m'n bol, breekt het zweet me al gauw aan alle kanten uit. Toch merk ik duidelijk het verschil: het klimt een stuk makkelijker met een geoliede ketting en gelukkig: de kar hangt achter de fiets. Enige nadeel van dit mooie weer is dat er tal van vliegen op m'n zweet afkomen. Ik kan niet stilstaan zonder een zwerm van enkele tientallen vliegen rond m'n hoofd te hebben. Bah. Gelukkig houdt het klimmetje al op 250 meter op en keer ik de Innvikfjord de rug toe. Over pikzwart heerlijk glad nieuw asfalt zoef ik door de naaldbossen naar beneden en eenmaal weer op vijftig meter hoogte voel ik mij met uitzicht op het Hornindalsvatn als in Zweden.

De bergen die steil uit het water rijzen zijn wellicht wat te hoog, maar de kleine eilandjes begroeid met naaldbomen, de bootjes aan de waterkant en het dichte bos dat zich vanaf de oevers over het dal uitstrekt, geven mij een duidelijk Zweeds gevoel. Het dorpje Grodås aan het einde van het meer lijkt nog nooit door toeristen bezocht. De kolonne van enkele Duitse campers maakt een einde aan dat waanidee. Deze weg 60 kan gebruikt worden als een tussendoorweggetje naar Geiranger, met een waarschijnlijk prachtige boottocht van Hellesylt naar Geiranger, langs de Syv Søstre waterval. Vanaf Grodås loopt de weg lichtjes stijgend door het dal. Al snel heb ik achteromkijkend uitzicht over het Hornindalsvatn. Aan weerszijden van het Hornindal verschijnen voor Noorse begrippen enorm steile en spitse bergen die als piramides of vingers scherp tegen de hemel afsteken. In het dal liggen voornamelijk landerijen met boerderijen en graasweiden.




'Klingeling' klingt het. Her en der grazen wat koeien met een heuse koebel om, ben ik soms in Zwitserland? Ik heb het gevoel een soort ontdekkingsreiziger te zijn en door een gebied te komen waar nog nauwelijks mensen zijn geweest. Plotseling doemt een enorme vrijwel loodrecht uit het dal omhoogwijzende bergtop op: Hornindalsrokken.
Met open mond kijk ik ernaar en kan alleen maar staren. Bij een riviertje is een ruime picknickplaats aangelegd, waar ik op m'n gemak lunch en geniet van al dit moois. Na de pauze ben ik al vlot over het hoogste punt van de weg op zo'n vierhonderd meter en gaat het weer omlaag door de bossen naar zo'n tweehonderd meter.
Ik laat weg 60 voor wat ie is en sla de nog kleinere en nog rustigere weg 655 in. Hoewel aan beide zijden van dit dal gigantische bergtoppen van bijna 1600 meter liggen, loopt de weg maar op maximaal driehonderd meter, waardoor de hemel boven me een stuk smaller is en ik alleen maar met m'n hoofd in m'n nek kan genieten van al dit moois.
Gerafelde bergtoppen, sneeuw, zelfs een kleine gletsjer hier en daar, sneeuwlawines die tot op tweehonderd meter zijn gekomen en waar beekjes en watervallen uit stromen. Het landschap likt een bonte internationale verzameling: bergtoppen als in de Alpen of Dolomieten, met sneeuw op de toppen zoals je dat in Alaska zou verwachten en uitgestrekte naaldbossen in de dalen zoals ik dat van de plaatjes van Canada ken. Sommige bergen hebben een hoed van wolken, waarbij de spitse pieken er trots bovenuit steken.
Na de afdaling is het uitzicht op de Hjørundtfjord al even spectaculair, zo niet nóg adembenemender. Dit wordt ook wel het hart van de Sunnmøre Alpen genoemd, zoals de bergen hier heten. Tientallen ruige bergtoppen prijken rond de fjord, elk met nog flink wat sneeuw bedekt en lange woeste watervallen die naar beneden tot in de fjord storten. In het dorpje Urke kan ik er wachtend op de ferry naar Sæbø van genieten.


Achter me stopt een bus vol met Nederlanders die een elfdaagse rondreis maken. Aan de volgorde van de plaatsen die ze noemen maak ik op dat de meesten geen flauw idee hebben van waar ze zijn. Terwijl de ferry aanmeert komt Lisa net aanfietsen op haar nieuwe glimmende fiets, helm op en enthousiast zwaaiend. Erg leuk om weer een bekend gezicht te zien en ik heb minder moeite met haar dialekt dan ik aanvankelijk dacht. Na een steil onverhard weggetje komen we aan bij de boerderij van de familie Svoren. Lisa's broer Henning is net begonnen met pannenkoeken bakken en na de douche kunnen we gelijk aanschuiven op de veranda, waar het heerlijk zitten is in de zon. Even later komen haar ouders Laila en Arve ook thuis - hoe dat in Noorwegen met al dat niet samen eten gaat, begrijp ik nog steeds niet en ik frons een wenkbrauw wanneer Laila aan Lisa vraagt of ze ook een pannenkoek mag hebben - en we kletsen wat over m'n reis en de prachtige omgeving hier. Grappige is dat alle ouders mij kennen van de evenementen met ouders op school en de verhalen die hun kinderen over mij hebben verteld, maar dat het voor mij volstrekte vreemden zijn die ik nog nooit heb gezien. Aan het einde van de middag nemen Lisa en Henning me mee op een autosightseeingtocht langs de dorpen Ørsta en Volda en doen gelijk wat boodschappen voor het avondeten. In de buurt van het dorpje Vatne, waar Laila is opgegroeid, stoppen we en roeien we in een bootje een meertje over om aan de andere kant een potje volleybal te spelen. Henning kleedt zich uit tot hij enkel z'n onderbroek aan heeft en neemt nog een duik in het heldere, maar ijskoude water. Mij niet gezien! Terug in Sæbø constateert Lisa tot haar grote ontzetting dat Arve alle worsten heeft opgegeten die zij in gedachten had om boven een kampvuur te roosteren. Arve voelt zich dan ook enorm schuldig en is zo gek om in de auto te stappen en de beheerder van de buurtsuper, die al gesloten is, te vragen om nieuwe worsten. En zo lopen we even later met z'n drieën een stukje de berg op om in een weiland een fiks kampvuur te stoken. Met uitzicht over het dal, de fjord en de bergen roosteren we worstjes en eten ze op broodjes met kartoffelsalaat en ketchup. Lisa en ik halen herinneringen op aan het afgelopen jaar en zo rond het kampvuur wanen we ons even terug met de hele groep. Rond elf uur sjokken we naar beneden en hopen dat de vele wolken die nu het uitzicht op de bergen ontnemen, vannacht zullen verdwijnen, zodat we alsnog morgen de geplande bergwandeling naar de befaamde Slogentop kunnen maken, vanwaar je een spectaculair uitzicht moet hebben. Ik prijs mezelf weer gelukkig met een opgemaakt zacht bed en met een onbeschrijflijk uitzicht vanuit het raam reis ik snel weg naar dromenland.
|